Overslaan naar inhoud

Leaky Gut bij honden: wat meten we eigenlijk?

Over darmbarrière, zonuline, calprotectine, α1PI, microbiota en galzuren
20 augustus 2026 in
Leaky Gut bij honden: wat meten we eigenlijk?
info@canibalance.nl

Image: Micrograph by STEVE GSCHMEISSNER, SCIENCE PHOTO LIBRARY


Een verhoogde zonulinewaarde, een afwijkend microbioom en een verhoogde concentratie calprotectine in de ontlasting kunnen allemaal informatie geven over wat er in of rond de darm gebeurt.

Ze meten alleen verschillende biologische processen.

Juist daar wordt het interessant bij Leaky Gut. De term wordt inmiddels breed gebruikt en er zijn laboratoria die uitgebreide ontlastingsprofielen aanbieden om verstoringen van de darmbarrière in kaart te brengen. Een recent Duits vakartikel van Andreas Rüffer bracht verschillende van deze bepalingen samen, van zonuline en secretorisch IgA tot calprotectine, galzuren en microbiota.

Voor mij was dat aanleiding om nog eens precies naar de huidige kennis bij honden te kijken. Want hoeveel kunnen we inmiddels werkelijk meten? En wanneer zegt een afwijkende waarde iets over de doorlaatbaarheid van de darmwand zelf?

Dat onderscheid verdient aandacht.


Leaky Gut is geen afzonderlijke diagnose

Met Leaky Gut wordt meestal een verhoogde intestinale permeabiliteit bedoeld: de darmbarrière laat stoffen gemakkelijker passeren dan onder normale omstandigheden.

In de veterinaire literatuur wordt vaker gesproken over intestinal barrier dysfunction of increased intestinal permeability. Vooral bij chronische inflammatoire enteropathie, afgekort CIE, is duidelijk dat de darmmucosa, het immuunsysteem en de microbiota nauw met elkaar samenhangen. De meest recente ACVIM-consensus beschrijft CIE als een multifactorieel proces waarin onder andere immuunreacties, genetische gevoeligheid, microbiota en omgevingsfactoren een rol spelen. Dysbiose en verstoringen van het galzuurmetabolisme zijn daarbij inmiddels uitgebreid beschreven.

Daarmee hebben we meteen een belangrijk onderscheid te pakken:
darmbarrièredisfunctie, verhoogde permeabiliteit, ontsteking, dysbiose en eiwitverlies zijn verwante verschijnselen, maar geen synoniemen.

Een hond kan bijvoorbeeld duidelijke intestinale ontstekingsactiviteit hebben zonder dat een afzonderlijke test ons precies vertelt hoeveel moleculen op dat moment door de darmwand passeren.


De darmbarrière bestaat uit veel meer dan tight junctions

Bij Leaky Gut gaat de aandacht vaak rechtstreeks naar de tight junctions: eiwitstructuren die de ruimte tussen aangrenzende epitheelcellen reguleren.

De functionele darmbarrière is veel uitgebreider.

Boven op het darmepitheel ligt, aan de kant van de darminhoud, een beschermende mucuslaag die een eerste scheiding vormt tussen de darminhoud en de epitheelcellen. Daaronder bevindt zich één laag darmepitheelcellen met hun onderlinge verbindingen. In en rond dat epitheel werken onderdelen van het aangeboren en verworven immuunsysteem, waaronder antimicrobiële peptiden en secretorisch IgA. Ook de microbiota en de stoffen die deze micro-organismen produceren zijn betrokken bij de integriteit van het epitheel.

Korteketenvetzuren zoals butyraat zijn daar een bekend voorbeeld van. Ook de microbiële omzetting van primaire naar secundaire galzuren behoort tot die interactie tussen voeding, microbiota en gastheer. Onderzoek naar de canine darmfysiologie beschrijft de microbiota dan ook als onderdeel van processen rond epitheelintegriteit, immuunfunctie, bescherming tegen pathogenen en galzuurmetabolisme.

Een verstoring van de darmbarrière kan daardoor op verschillende niveaus plaatsvinden.

En daar ontstaat meteen het probleem met één enkele ‘Leaky Gut-marker’.


Permeabiliteit is een functie

Wanneer we echt willen weten hoe gemakkelijk bepaalde moleculen door de darmwand passeren, ligt een functionele permeabiliteitstest veel dichter bij die vraag dan het meten van een ontstekingsmarker of microbiële verschuiving.

Dergelijke testen bestaan bij honden al verrassend lang.

Bij zogenaamde differentiële suikerabsorptietesten krijgt de hond een oplossing met verschillende suikermoleculen, bijvoorbeeld lactulose en rhamnose. Lactulose passeert een intacte darmmucosa relatief beperkt, terwijl het kleinere rhamnose gemakkelijker wordt opgenomen. Door na toediening te bepalen hoeveel van beide moleculen is teruggevonden en naar hun onderlinge verhouding te kijken, kan informatie worden verkregen over de intestinale permeabiliteit en absorptiecapaciteit.

Bij honden is dit onder andere via urine onderzocht. In een studie met 29 honden met chronische enteropathie werden lactulose, rhamnose, xylose, 3-O-methylglucose en sucrose toegediend en zes uur later in de urine bepaald. Opvallend was dat de gemeten permeabiliteit en absorptiecapaciteit niet goed samenhingen met de klinische ziekteactiviteit of de histologische ernst van de darmafwijkingen.

Dat is een belangrijk gegeven: zelfs wanneer we de permeabiliteit functioneel meten, vertelt die uitslag nog niet automatisch hoe ziek een hond klinisch is.


Kan intestinale permeabiliteit ook via bloed worden gemeten?


Ja. En dit onderdeel kom je in de dagelijkse discussie over Leaky Gut nauwelijks tegen.

Al in 1997 werd bij honden onderzocht of testmoleculen na orale toediening in het bloed konden worden gemeten om informatie te krijgen over intestinale permeabiliteit en absorptie.

Later werd ook onderzocht of de darmpermeabiliteit via bloed kon worden beoordeeld met een oraal toegediende traceerstof (^51Cr-EDTA). Deze stof passeert een intacte darmwand maar beperkt en kan dankzij een radioactieve markering zeer nauwkeurig worden teruggevonden. Hoe groter het aandeel van de toegediende stof dat in het bloed verschijnt, hoe meer van deze marker de darmbarrière heeft gepasseerd. De resultaten konden daarbij worden vergeleken met de klassieke meting via urine.

In 2009 werd de benadering met suikermoleculen verder uitgewerkt. Acht gezonde honden kregen lactulose, rhamnose, 3-O-methylglucose, xylose en sucrose toegediend, waarna gedurende 24 uur werd gevolgd hoe de concentraties daarvan in serum veranderden. Daarmee konden de onderzoekers onder andere beschrijven wanneer de verschillende markers in het bloed verschenen en op welk moment bloedafname het meest informatief zou zijn.

Er bestaat dus wel degelijk canine onderzoek waarin bloed wordt gebruikt om intestinale permeabiliteit functioneel te beoordelen.

Dit zijn geen routinematige ‘Leaky Gut-bloedtesten’ die momenteel onderdeel vormen van de standaard diagnostiek bij een hond met chronische darmklachten. De ACVIM-consensus uit 2026 neemt deze functionele permeabiliteitstesten ook niet op in het aanbevolen standaard diagnostische traject voor CIE.

Dat onderscheid wordt belangrijk wanneer we naar zonuline kijken. Zonuline is geen functionele permeabiliteitstest waarbij daadwerkelijk wordt gevolgd hoeveel van een toegediende marker de darmbarrière passeert.


Zonuline: een indirecte marker met nog veel vraagtekens

Zonuline krijgt veel aandacht binnen de discussie over Leaky Gut. Het wordt in verband gebracht met de regulatie van tight junctions, de eiwitstructuren die mede bepalen hoe gemakkelijk stoffen tussen aangrenzende darmepitheelcellen kunnen passeren. Vanuit die functie ontstond de gedachte dat zonuline in bloed of ontlasting gebruikt zou kunnen worden als indirecte marker voor intestinale permeabiliteit.

Binnen dit zonulineconcept wordt een hogere concentratie in verband gebracht met een grotere intestinale permeabiliteit. Juist daarom is zonuline ook bij honden onderzocht als mogelijke marker voor een verstoorde darmbarrière. De beschikbare studies geven tot nu toe echter geen eenduidig beeld en laten nog niet zien dat een hogere gemeten zonulinewaarde daadwerkelijk overeenkomt met een meer doorlaatbare darmbarrière.

In een studie bij 16 honden met chronische diarree en intestinale lymfangiëctasie, een aandoening waarbij de lymfevaten in de darmwand verwijd raken en eiwitverlies via de darm kan optreden, waren zowel serum- als fecale zonulineconcentraties hoger dan bij gezonde controlehonden. De onderzoekers beschouwden zonuline als een mogelijke toekomstige biomarker voor deze specifieke patiëntengroep, maar benadrukten dat verder onderzoek nodig is. 

Ook fecaal zonuline is in ander canine onderzoek gebruikt. In een studie uit 2023 werden 29 ogenschijnlijk gezonde Golden Retriever-pups tijdens de speenperiode gevolgd. Infecties met Giardia, parvovirus en coronavirus waren vooraf uitgesloten en er werden geen darmparasieten gevonden. Zestien pups kregen gedurende vier weken een aanvullend product met onder andere Bacillus subtilis, colostrum en palmitoylethanolamide (PEA); dertien pups vormden de controlegroep. De fecale zonulineconcentratie daalde in de behandelde groep, terwijl deze in de controlegroep ongeveer gelijk bleef.

De onderzoekers interpreteerden deze daling als mogelijk gunstig voor de darmgezondheid tijdens de speenperiode. Er werd echter geen functionele permeabiliteitstest uitgevoerd. Daarmee laat de studie zien dat fecaal zonuline bij gezonde pups onder invloed van een interventie kan veranderen, maar niet dat een dalende zonulinewaarde gelijkstaat aan een meetbare verbetering van de intestinale permeabiliteit.

Daar staat bovendien een studie uit 2022 tegenover waarin 21 honden met chronische enteropathie werden vergeleken met 21 gezonde controlehonden. Met een commerciële canine zonuline-ELISA werden vrijwel gelijke serumconcentraties gevonden en serumzonuline kon beide groepen niet van elkaar onderscheiden.

De verschillende studies onderzochten andere patiëntengroepen, gebruikten serum of feces en werkten niet allemaal met dezelfde analysemethode. De resultaten kunnen daarom niet rechtstreeks naast elkaar worden gelegd. Ze laten vooral zien dat de klinische betekenis van zonuline bij honden nog onvoldoende is vastgesteld.

En wat betekent een fecale waarde van 250 ng/g?

In het artikel van Andreas Rüffer wordt voor fecaal zonuline bij honden een waarde van <250 ng/g feces als normale waarde genoemd. Hij vermeldt daarbij expliciet dat deze grens is gebaseerd op eigen empirische gegevens. Waarden daarboven zouden volgens hem kunnen wijzen op een Leaky Gut.

Die grens is voor zover uit de publicatie blijkt geen extern gevalideerd canine referentie-interval. De hierboven genoemde onderzoeken naar fecaal zonuline leveren daarvoor ook geen bevestiging: zij onderzochten andere populaties en gebruikten hun zonulinebepaling niet om een algemene grens tussen een intacte en verhoogd doorlaatbare darmbarrière vast te stellen.

Een waarde boven 250 ng/g kan daarom op basis van de huidige canine literatuur niet zonder meer worden geïnterpreteerd als bewijs voor verhoogde intestinale permeabiliteit.

Meet een zonulinetest daadwerkelijk zonuline?

Daar komt nog een analytische onzekerheid bij.

Bij een veelgebruikte humane zonuline-ELISA bleek dat de test waarschijnlijk niet specifiek het oorspronkelijke zonuline — pre-haptoglobine-2 — herkende dat men ermee dacht te meten. De test reageerde ook op andere eiwitten, waaronder properdine, dat mogelijk tot dezelfde zonulinefamilie behoort. 

Dit onderzoek betreft een humane assay en kan niet rechtstreeks worden vertaald naar iedere veterinaire zonulinetest. Het maakt wel duidelijk dat bij zonuline twee afzonderlijke vragen openstaan:

Hangt de gemeten waarde bij honden werkelijk samen met intestinale permeabiliteit, en weten we voldoende zeker welk eiwit de gebruikte test precies meet?

Op dit moment is voor geen van beide vragen voldoende canine bewijs beschikbaar om zonuline als zelfstandige diagnostische marker voor een verhoogde darmpermeabiliteit te gebruiken.


Calprotectine: een marker voor intestinale ontsteking

Voor fecaal calprotectine ziet de wetenschappelijke onderbouwing bij honden er een stuk steviger uit.

Calprotectine is een eiwitcomplex dat bestaat uit S100A8 en S100A9 en in grote hoeveelheden voorkomt in neutrofiele granulocyten, daarnaast ook in monocyten en macrofagen. Wanneer deze ontstekingscellen naar de darmmucosa trekken en daar actief worden, kan calprotectine vrijkomen en uiteindelijk in de ontlasting worden teruggevonden.

De fecale concentratie geeft daardoor informatie over ontstekingsactiviteit in het maag-darmkanaal.

Dat is iets anders dan intestinale permeabiliteit. Een verhoogde calprotectineconcentratie kan passen bij actieve ontsteking in de darm, maar geeft geen directe informatie over de mate waarin de darmbarrière stoffen doorlaat. Ontsteking en een veranderde permeabiliteit kunnen bij dezelfde hond wel tegelijkertijd voorkomen en elkaar beïnvloeden.

Wat weten we hierover bij honden met CIE?

Fecaal calprotectine is inmiddels in meerdere onderzoeken bij honden met chronische inflammatoire enteropathie onderzocht.

Een belangrijke prospectieve studie omvatte 127 honden met biopsiebevestigde CIE. De fecale calprotectineconcentratie hing samen met de klinische ziekteactiviteit en met verschillende histologische kenmerken van intestinale ontsteking. Die samenhang was overigens niet bijzonder sterk voor alle parameters: calprotectine is dus geen eenvoudige maat waarmee de ernst van CIE rechtstreeks in één getal kan worden uitgedrukt.

Wel bleek de marker klinisch interessante informatie te bevatten. Honden die slechts gedeeltelijk of niet op immunosuppressieve behandeling reageerden, hadden in dat onderzoek bijvoorbeeld hogere fecale calprotectineconcentraties dan honden die volledige remissie bereikten.

De nieuwe ACVIM-consensus uit 2026 neemt fecaal calprotectine daarom ook op als mogelijke aanvullende bepaling bij honden met CIE. Het bewijs voor het gebruik als indicator van ziekte-ernst wordt daarin als matig beoordeeld. De aanbeveling om de test te gebruiken is conditioneel en afhankelijk van de klinische situatie.

Calprotectine is daarmee geen test waarmee CIE op zichzelf kan worden vastgesteld of uitgesloten. Het kan binnen het totale diagnostische beeld aanvullende informatie geven over de aanwezigheid en activiteit van intestinale ontsteking.

En de grens van 41 µg/g?

Rüffer noemt voor gezonde honden een fecale calprotectineconcentratie van <41 µg/g feces. In dit geval blijkt die waarde ook terug te komen in gepubliceerd canine onderzoek.

In 2022 werd de fCAL turbo-assay analytisch onderzocht voor gebruik bij honden en katten. Bij 65 klinisch gezonde honden werden fecale calprotectineconcentraties gemeten. Na uitsluiting van statistische uitschieters werd op basis van 57 honden voor één fecesmonster een referentie-interval van <41 µg/g vastgesteld. Voor katten was dit <64 µg/g. De onderzoekers concludeerden dat de methode voldoende lineair, precies en reproduceerbaar was voor het meten van fecaal calprotectine bij beide diersoorten.

Dat maakt deze grens wezenlijk anders dan bijvoorbeeld de eerder besproken grenswaarde voor fecaal zonuline: <41 µg/g is voor deze specifieke calprotectinebepaling wél afkomstig uit gepubliceerd veterinair onderzoek.

Daar hoort echter nog een belangrijke nuance bij.

Een referentie-interval is gekoppeld aan de gebruikte analysemethode en manier van bemonsteren. Eerdere onderzoeken naar fecaal calprotectine bij honden gebruikten bijvoorbeeld andere technieken en vonden andere referentiewaarden. In een oudere studie werd bij drie opeenvolgende fecesmonsters een referentie-interval van 3,2–65,4 µg/g gevonden, terwijl nog ouder onderzoek met een radio-immunoassay weer andere waarden rapporteerde.

De grens van 41 µg/g kan daarom niet zonder meer op iedere calprotectinetest worden geplakt. Bij de interpretatie hoort bekend te zijn welke assay is gebruikt en welk referentie-interval voor die methode is gevalideerd.

Interessant is bovendien dat in de validatiestudie ook naar biologische variatie werd gekeken. Bij herhaalde metingen bij dezelfde hond werd berekend dat een verandering van ongeveer 44% nodig kan zijn voordat een verschil groter is dan de verwachte biologische en analytische variatie. Dat is vooral relevant wanneer calprotectine in de toekomst vaker wordt gebruikt om een hond over de tijd te volgen.

Calprotectine heeft daarmee bij honden inmiddels een duidelijkere wetenschappelijke positie dan veel andere markers die onder de noemer Leaky Gut worden aangeboden: het is een gevalideerde marker voor intestinale ontstekingsactiviteit, geen directe maat voor de doorlaatbaarheid van de darmbarrière.


α1-proteinase-inhibitor: wanneer eiwitten via de darm verloren gaan

Fecaal α1-proteinase-inhibitor, meestal afgekort als α1PI, heeft bij honden een duidelijkere veterinaire basis dan veel andere bepalingen die onder de noemer Leaky Gut worden aangeboden.

α1PI is een plasma-eiwit dat qua grootte vergelijkbaar is met albumine. Wanneer de integriteit van de darmmucosa zodanig is verstoord dat plasma-eiwitten via het maag-darmkanaal verloren gaan, komt ook α1PI in het darmlumen terecht. Omdat dit eiwit relatief goed bestand is tegen afbraak door spijsverteringsenzymen, kan het vervolgens in de ontlasting worden gemeten. Het dient daarmee als marker voor gastro-intestinaal eiwitverlies.

Dat is opnieuw iets anders dan het rechtstreeks meten van intestinale permeabiliteit. Een verhoogde α1PI-concentratie vertelt ons dat eiwitverlies via de darm plaatsvindt, maar niet via welk barrièremechanisme dat precies ontstaat en evenmin hoeveel kleine testmoleculen door de darmwand zouden passeren.

Wat weten we hierover bij honden?

In een canine studie uit 2003 werden fecale α1PI-concentraties vergeleken tussen gezonde honden en honden die vanwege chronische maag-darmklachten verder werden onderzocht. De honden met histologisch aangetoonde darmafwijkingen, waaronder inflammatoire enteropathie en intestinale lymfangiëctasie, hadden gemiddeld duidelijk hogere waarden dan gezonde controlehonden en honden zonder histologische afwijkingen. Opvallend was bovendien dat de fecale α1PI-concentratie niet rechtstreeks samenhing met de serumalbumineconcentratie. De auteurs concludeerden daarom dat een verhoogde fecale α1PI mogelijk al op intestinaal eiwitverlies kan wijzen voordat hypoalbuminemie zichtbaar wordt.

De ACVIM-consensus uit 2026 geeft fecaal α1PI inmiddels ook een duidelijke plaats als aanvullende biomarker. Bij honden vanaf één jaar kan een verhoogde fecale concentratie wijzen op intestinaal eiwitverlies en histologische afwijkingen passend bij PLE, ook wanneer de serumalbumineconcentratie nog niet verlaagd is. De aanbeveling om α1PI te bepalen is conditioneel en vooral relevant wanneer op basis van het klinische beeld verdenking bestaat op CIE of protein-losing enteropathy.

En de grens van 0,02 mg/g?

Rüffer noemt voor een intacte darmbarrière een fecale α1-antitrypsineconcentratie van <0,02 mg/g feces. Omgerekend is dat <20 µg/g.

Die waarde blijkt qua orde van grootte goed aan te sluiten bij een gevalideerde canine α1PI-test. Het Gastrointestinal Laboratory van Texas A&M hanteert voor volwassen honden een referentie-interval van 2,2–18,7 µg/g feces. Bij één afzonderlijk fecesmonster wordt ≥21,0 µg/g daar als afwijkend beschouwd.

Dat maakt Rüffers grens van 0,02 mg/g inhoudelijk heel anders dan bijvoorbeeld zijn eigen empirische grens voor fecaal zonuline: hier bestaat wél gepubliceerd en klinisch gevalideerd canine onderzoek in ongeveer hetzelfde concentratiegebied.

Ook hier blijft de analysemethode belangrijk. Het Texas A&M-laboratorium gebruikt voor een driedaagse bemonstering andere beslisgrenzen dan voor één afzonderlijk monster. Een gemiddelde over drie dagen van ≥13,9 µg/g wordt daar als afwijkend beschouwd, terwijl één monster pas vanaf ≥21,0 µg/g als afwijkend wordt aangemerkt. Een normale uitslag sluit PLE bovendien niet volledig uit.

Leeftijd maakt hier verschil

Een interessante nuance is dat deze referentiewaarden alleen klinisch zijn gevalideerd voor honden van één jaar en ouder. Gezonde jonge pups kunnen van nature hogere fecale α1PI-concentraties hebben. Het volwassen referentie-interval kan daarom niet zonder meer bij pups worden toegepast.

Dat is precies het soort detail dat bij de interpretatie van een laboratoriumuitslag gemakkelijk verloren kan gaan.

Fecaal α1PI heeft dus een duidelijke klinische toepassing, maar onder een veel specifiekere noemer dan Leaky Gut: het helpt beoordelen of plasma-eiwitten via het maag-darmkanaal verloren gaan.


Secretorisch IgA: relevant voor de mucosale afweer, maar lastig te duiden

Secretorisch immunoglobuline A, meestal afgekort als sIgA, vormt een belangrijk onderdeel van de afweer aan slijmvliesoppervlakken. In de darm wordt IgA geproduceerd door plasmacellen in de darmmucosa en vervolgens als secretorisch IgA naar het darmlumen afgegeven.

Daar kan het zich binden aan bacteriën, voedingsantigenen en andere lichaamsvreemde structuren. Op die manier helpt sIgA voorkomen dat deze zich gemakkelijk aan het darmepitheel hechten of ermee in contact komen. Het draagt daarmee bij aan de immunologische functie van de darmbarrière.

Dat maakt fecaal sIgA biologisch interessant. De interpretatie blijkt alleen een stuk minder eenvoudig.

Zowel een lage als een hoge waarde?

Rüffer beschrijft in zijn artikel dat zowel verlaagde als verhoogde fecale sIgA-waarden opvallend kunnen zijn. Een lage concentratie zou kunnen passen bij een verminderde lokale afweer, terwijl hij waarden boven 0,17 mg/g feces noemt als mogelijke aanwijzing voor verhoogde immunologische activiteit bij problemen van de darmmucosa.

Vooral die grens van 0,17 mg/g vraagt om voorzichtigheid.

Er bestaat namelijk gepubliceerd canine onderzoek waarin een methode voor het meten van fecaal IgA analytisch werd gevalideerd bij 23 gezonde honden. Met die specifieke ELISA werd een referentie-interval van 0,22 tot 3,24 mg/g feces gevonden. De onderzoekers zagen bovendien aanzienlijke variatie binnen dezelfde hond en adviseerden daarom meerdere fecesmonsters verspreid over de tijd te analyseren.

Een waarde van 0,17 mg/g zou volgens die methode dus juist onder het referentie-interval liggen.

Dat betekent niet automatisch dat de door Rüffer genoemde grens fout is. Het laat vooral zien hoe sterk zulke waarden afhankelijk kunnen zijn van de gebruikte analysemethode, monstervoorbewerking en kalibratie van de test. Een grenswaarde van de ene fecale sIgA-test kan daarom niet zonder verdere validatie op een andere assay worden toegepast.

Wat zien we bij honden met chronische darmklachten?

Er zijn aanwijzingen dat de mucosale IgA-respons bij canine enteropathieën veranderd kan zijn.

In een onderzoek bij honden met wat destijds inflammatory bowel disease (IBD) werd genoemd, waren de IgA-concentraties zowel in de feces als in de duodenale mucosa lager dan bij gezonde honden. De onderzoekers vonden daarnaast veranderingen in verschillende mechanismen die betrokken zijn bij de productie van IgA. Zij konden echter niet vaststellen of de verminderde IgA-productie een oorzaak van de enteropathie was of juist een gevolg ervan.

Tegelijkertijd zijn er ook onderzoeken die laten zien dat tijdens actieve chronische enteropathie juist meer fecale bacteriën met IgA bedekt kunnen zijn. Bij klinische remissie nam die IgA-coating weer af. Dat illustreert dat de lokale IgA-respons tijdens darmziekte ook verhoogde immunologische activiteit kan laten zien.

Een lage of hoge waarde heeft daardoor niet automatisch één vaste betekenis. Het totale fecale sIgA-gehalte, de hoeveelheid IgA die aan bacteriën gebonden is en de daadwerkelijke IgA-productie in de darmmucosa beschrijven bovendien verschillende aspecten van dezelfde mucosale afweer.

Bloed-IgA vertelt ons dat ook niet

Een serum-IgA-bepaling biedt hiervoor geen eenvoudige oplossing. Bij gezonde honden bleek de hoeveelheid IgA in het bloed geen goede afspiegeling te zijn van de hoeveelheid secretorisch IgA in de duodenale mucosa. Ook sIgA in speeksel correleerde niet goed met de duodenale waarden.

De lokale afweer van de darm moet dus daadwerkelijk als een mucosaal proces worden bekeken.

Geen directe maat voor darmpermeabiliteit

Voor het onderwerp Leaky Gut is vooral dit onderscheid belangrijk: fecaal sIgA kan informatie geven over de mucosale immuunactiviteit, maar het meet niet hoeveel stoffen door de darmwand heen passeren.

Een lage sIgA-concentratie kan passen bij een verminderde mucosale IgA-respons en een hoge waarde mogelijk bij verhoogde lokale immuunactiviteit. Beide kunnen voorkomen in een darm die uit balans is. Geen van beide bewijst echter dat de intestinale permeabiliteit verhoogd is.

Een recente review over intestinale biomarkers bij honden komt daarom tot een vrij voorzichtige conclusie: fecaal IgA is biologisch relevant en er zijn veranderingen beschreven bij canine enteropathieën, maar de beschikbare gegevens zijn nog onvoldoende om de bepaling routinematig als zelfstandige klinische marker te gebruiken. Daarbij spelen onder andere verschillen in leeftijd, ras, fecesvocht en analysemethode een rol.

Fecaal sIgA past daarmee beter bij de vraag hoe actief de mucosale afweer is dan bij de vraag hoe doorlaatbaar de darmwand is.


PMN-elastase en lysozym: biologisch interessant, klinisch nog weinig onderbouwd

Naast calprotectine noemt Rüffer nog twee fecale markers die iets kunnen zeggen over ontstekingsactiviteit in de darm: PMN-elastase en lysozym. Beide zijn betrokken bij de aangeboren afweer, maar de veterinaire onderbouwing is aanzienlijk beperkter dan die van fecaal calprotectine.

PMN-elastase

PMN staat voor polymorphonuclear neutrophil: de neutrofiele granulocyt. Deze afweercellen bevatten verschillende enzymen waarmee zij micro-organismen kunnen bestrijden. Neutrofiele elastase is daar één van. Het enzym ligt opgeslagen in granula in de neutrofiel en kan bij activatie van deze cellen worden vrijgezet.

Wanneer neutrofielen naar ontstoken darmweefsel migreren en daar worden geactiveerd, kan neutrofiele elastase uiteindelijk ook in de feces terechtkomen. Een verhoogde fecale concentratie zou daardoor kunnen passen bij neutrofiele ontstekingsactiviteit in de darm.

Dit is overigens een andere bepaling dan pancreaselastase, die we in het volgende hoofdstuk bespreken. Pancreaselastase is afkomstig uit de exocriene pancreas en wordt gebruikt om informatie te krijgen over de pancreasfunctie. PMN-elastase is afkomstig uit neutrofielen en heeft betrekking op ontstekingsactiviteit.

Rüffer noemt voor gezonde honden een fecale PMN-elastaseconcentratie van <0,01 µg/g feces. Hij vermeldt daarbij dat deze grens is gebaseerd op eigen, niet-gepubliceerde gegevens. Voor zover uit de beschikbare veterinaire literatuur blijkt, is deze waarde niet extern gevalideerd als algemeen referentie-interval voor honden.

Lysozym

Ook lysozym maakt deel uit van de aangeboren afweer. Het is een enzym dat bepaalde structuren in de celwand van bacteriën kan afbreken en komt onder andere voor in neutrofielen, monocyten en macrofagen.

Een verhoogde hoeveelheid lysozym in de feces kan daarom theoretisch wijzen op verhoogde activiteit van deze afweercellen in het maag-darmkanaal. Net als bij PMN-elastase gaat het dan vooral om een mogelijke marker van mucosale ontstekings- en afweeractiviteit, en niet om een directe maat voor de doorlaatbaarheid van de darmwand.

Rüffer noemt voor gezonde honden een waarde van <0,05 µg/g feces. Ook deze grens is volgens zijn artikel gebaseerd op eigen, niet-gepubliceerde gegevens en is voor zover uit de publicatie blijkt niet extern gevalideerd als canine referentie-interval.

Interessante kandidaten, maar nog geen gevestigde canine biomarkers

Dat neutrofiel-afgeleide eiwitten interessant kunnen zijn als fecale ontstekingsmarkers is biologisch goed te verklaren. Ook in onderzoek naar fecale eiwitten bij honden met chronische enteropathie wordt gekeken naar veranderingen in ontstekings- en afweereiwitten. Dit onderzoeksgebied bevindt zich echter nog grotendeels in een verkennende fase en er is verdere validatie nodig voordat dergelijke eiwitten betrouwbaar voor klinische besluitvorming kunnen worden gebruikt.

Dat verschil wordt duidelijk wanneer we PMN-elastase en lysozym vergelijken met calprotectine. Voor calprotectine zijn canine studies naar ziekteactiviteit beschikbaar, bestaat een analytisch gevalideerde fecale bepaling en neemt de ACVIM-consensus de marker mee als mogelijke aanvullende test bij CIE. PMN-elastase en lysozym hebben die klinische positie op dit moment niet. In de ACVIM-consensus uit 2026 worden ze niet opgenomen onder de biomarkers waarvoor een klinische aanbeveling wordt gedaan.

Een afwijkende waarde kan biologisch gezien dus interessant zijn, maar de huidige canine literatuur biedt nog onvoldoende basis om er een specifieke diagnose, ernst van darmontsteking of mate van verhoogde darmpermeabiliteit aan te koppelen.

PMN-elastase en lysozym zeggen daarmee, voor zover ze bij de hond bruikbaar blijken, eerder iets over activiteit van de aangeboren afweer dan over het daadwerkelijk ‘lekken’ van de darmbarrière.


Fecale pancreaselastase: nuttig voor de pancreas, geen marker van de darmbarrière

Na PMN-elastase is het belangrijk om ook pancreaselastase apart te bespreken, want ondanks de vergelijkbare naam gaat het om een heel andere bepaling.

Dat pancreaselastase in een onderzoek naar de darmbarrière wordt meegenomen, heeft vooral te maken met de bredere beoordeling van het maag-darmkanaal. Een verminderde exocriene pancreasfunctie kan leiden tot onvolledige vertering en daardoor het luminale milieu en het microbioom beïnvloeden. Bovendien kunnen de klinische klachten sterk lijken op die van chronische enteropathie. Pancreaselastase helpt daarom vooral om de pancreasfunctie mee te beoordelen; het is geen directe marker voor intestinale permeabiliteit.

Canine pancreaselastase-1 wordt geproduceerd door de acinaire cellen van de exocriene pancreas en komt via het pancreassap in de darm terecht. Het enzym blijft tijdens de passage door het maag-darmkanaal relatief stabiel en kan daardoor in de feces worden gemeten. De concentratie geeft informatie over de exocriene pancreasfunctie.

Een lage fecale pancreaselastaseconcentratie kan daarom aanleiding geven om aan exocriene pancreasinsufficiëntie, EPI, te denken. Het zegt op zichzelf niets over de doorlaatbaarheid van de darmbarrière.

De grenswaarden verdienen hier extra aandacht

Rüffer schrijft dat fecale pancreaselastasewaarden onder 40 µg/g feces volgens hem op exocriene pancreasinsufficiëntie kunnen wijzen. Wanneer we naar de gepubliceerde canine literatuur kijken, ligt die interpretatie echter genuanceerder.

In de oorspronkelijke validatiestudie uit 2001 werd voor de gebruikte canine elastase-1-ELISA een afkapwaarde van 10 µg/g feces voorgesteld. In later onderzoek met dezelfde fecale elastasebepaling werd >40 µg/g als normaal, <10 µg/g als sterk verdacht voor EPI en het gebied tussen 10 en 40 µg/g als grensgebied beschouwd.

De uitspraak dat iedere waarde onder 40 µg/g op EPI wijst, is op basis van deze publicaties dus te stellig.

En wat betekent 40–100 µg/g?

Rüffer beschrijft daarnaast een groep honden met fecale pancreaselastasewaarden tussen 40 en 100 µg/g. Volgens zijn klinische ervaring kunnen deze honden tekenen vertonen van wat hij Pankreas-Schwäche noemt: een mogelijk verminderde exocriene pancreasfunctie zonder dat er sprake hoeft te zijn van duidelijke EPI. Hij geeft daarbij aan dat deze honden mogelijk baat kunnen hebben bij ondersteuning van de pancreas.

Voor deze categorie bestaat voor zover uit de beschikbare canine literatuur blijkt echter geen gevalideerde diagnostische afkapwaarde. Pankreas-Schwäche is ook geen officieel erkende veterinaire diagnose.

Een waarde tussen 40 en 100 µg/g kan daarom niet zonder verdere diagnostiek worden geïnterpreteerd als een beginnende of subklinische EPI. Dat sluit niet uit dat een hond in de praktijk functioneel minder goed kan presteren of op ondersteuning kan reageren; alleen is dat verband op dit moment nog niet als afzonderlijk diagnostisch concept gevalideerd.

Zelfs een zeer lage waarde is niet altijd doorslaggevend

Daar komt nog iets interessants bij. In een studie werden 26 honden onderzocht die vanwege een verdenking op EPI of onverklaarde chronische diarree een fecale pancreaselastasewaarde van <10 µg/g hadden.

Bij 20 honden bevestigde serum-cTLI de diagnose EPI. Bij de overige 6 honden — 23% van deze groep — lag de cTLI binnen of zelfs boven het referentiegebied. De auteurs beschouwden de lage fecale elastasewaarde bij deze honden daarom als een fout-positieve uitslag voor EPI.

Dat is relevant, omdat zelfs een sterk verlaagde fecale elastaseconcentratie dus niet automatisch gelijkstaat aan EPI. De onderzoekers adviseerden een dergelijke uitslag te bevestigen met andere diagnostiek, waaronder serum-cTLI, herhaalde fecale elastasebepalingen of beoordeling van de respons op pancreasenzymen.

Serum-cTLI heeft een duidelijkere plaats in de veterinaire diagnostiek

Voor de diagnostiek van EPI heeft serum canine trypsin-like immunoreactivity, cTLI, een veel stevigere positie. In het hiervoor genoemde onderzoek wordt cTLI ook als de veterinaire standaard voor de diagnose EPI beschreven.

Dat zien we eveneens terug in de ACVIM-consensus uit 2026. Bij honden met verdenking op chronische inflammatoire enteropathie wordt serum-TLI aanbevolen als onderdeel van het aanvullende onderzoek om aandoeningen uit te sluiten die vergelijkbare maag-darmklachten kunnen veroorzaken. Fecale pancreaselastase maakt geen deel uit van die aanbevolen standaardbepalingen.

Dat betekent niet dat fecale pancreaselastase geen informatie kan geven. Binnen een uitgebreid fecaal profiel kan een afwijkende waarde aanleiding zijn om de pancreasfunctie verder te onderzoeken.

Voor het onderwerp darmbarrière moet de bepaling alleen wel op de juiste plek blijven staan: pancreaselastase meet exocriene pancreasfunctie en geen intestinale permeabiliteit.


Galzuren: waar darm en microbioom samenkomen

Ook fecale galzuren worden door Rüffer meegenomen bij de beoordeling van de darmfunctie. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien wat verder van Leaky Gut af te staan, maar galzuren hebben een veel bredere functie dan alleen de vertering van vet.

Galzuren worden in de lever gevormd, via de gal uitgescheiden en in de dunne darm afgegeven. Het grootste deel wordt vervolgens in het terminale ileum, het laatste gedeelte van de dunne darm, weer opgenomen en via de enterohepatische kringloop terug naar de lever vervoerd.

Wanneer die terugresorptie onvoldoende verloopt, bereiken grotere hoeveelheden galzuren de dikke darm. Daar kunnen ze de secretie van water en elektrolyten stimuleren en de darmmotiliteit beïnvloeden. Een overmaat aan galzuren in het colon kan daardoor bijdragen aan waterige diarree, ook wel galzuurdiarree genoemd.

Rüffer beschrijft dit als een mogelijk Gallensäure-Verlustsyndrom en noemt voor gezonde honden een totale fecale galzuurconcentratie van <10 µmol/g feces. Hij vermeldt daarbij dat deze waarde gebaseerd is op eigen, niet-gepubliceerde gegevens. Voor zover uit de beschikbare canine literatuur blijkt, kan deze grens daarom niet als algemeen gevalideerd referentie-interval worden beschouwd.

De totale hoeveelheid vertelt maar een deel van het verhaal

Nieuwere canine studies maken duidelijk dat het bij fecale galzuren niet alleen gaat om hoeveel galzuur in de ontlasting terechtkomt, maar ook om welke galzuren daar aanwezig zijn.

De lever produceert zogenaamde primaire galzuren. Een deel daarvan wordt door darmbacteriën omgezet in secundaire galzuren. Daarmee ontstaat een directe verbinding tussen galzuurmetabolisme en het darmmicrobioom.

Bij honden met chronische inflammatoire enteropathie zijn veranderingen in die verhouding aangetoond. In een studie bij 23 honden met steroïd-responsieve chronische enteropathie, waarbij de maag-darmklachten verbeteren na behandeling met corticosteroïden, was het aandeel secundaire fecale galzuren duidelijk lager dan bij gezonde honden. Na behandeling en klinische verbetering nam het aandeel secundaire galzuren weer toe.

Dat betekent dat twee honden theoretisch een vergelijkbare totale hoeveelheid fecale galzuren kunnen hebben, terwijl hun galzuurprofiel biologisch heel verschillend is.

De rol van Clostridium hiranonis

Een bacterie die hierin steeds opnieuw naar voren komt is Clostridium hiranonis. Deze bacterie kan primaire galzuren omzetten in secundaire galzuren en lijkt bij honden een belangrijke rol te spelen binnen dit proces.

In dezelfde studie was C. hiranonis duidelijk verminderd bij honden met chronische enteropathie. De hoeveelheid van deze bacterie hing bovendien sterk samen met het percentage secundaire fecale galzuren.

Een andere studie volgde honden met chronische enteropathie die reageerden op een therapeutisch dieet. Tijdens remissie veranderde niet alleen de samenstelling van het microbioom: ook C. hiranonis nam toe en de concentraties van de secundaire galzuren deoxycholzuur en lithocholzuur stegen. In laboratoriumonderzoek konden fysiologische concentraties van deze galzuren bovendien de groei van onder andere E. coli en Clostridium perfringens remmen.

Dat maakt galzuren dus meer dan een eindproduct van de vetvertering. Ze maken deel uit van een systeem waarin voeding, darmbacteriën en het chemische milieu in de darm elkaar beïnvloeden.

Twee verschillende processen

Bij de interpretatie van fecale galzuren is het daarom nuttig om twee processen uit elkaar te houden.

Enerzijds is er de terugresorptie in het ileum. Wanneer die verminderd is, bereiken meer galzuren het colon en kan dat bijdragen aan diarree.

Anderzijds is er de microbiële omzetting van primaire naar secundaire galzuren. Wanneer belangrijke galzuurconverterende bacteriën afnemen, kan het galzuurprofiel veranderen, ook zonder dat daarmee automatisch is aangetoond dat de ileale terugresorptie onvoldoende functioneert.

Canine onderzoek uit 2023 laat opnieuw zien dat honden met chronische inflammatoire enteropathie afwijkende fecale galzuurprofielen kunnen hebben, wat de gedachte ondersteunt dat galzuurdysmetabolisme onderdeel kan zijn van de pathofysiologie van CIE.

En de darmbarrière?

Galzuren kunnen het darmepitheel, de slijmlaag, immuunprocessen en het microbioom beïnvloeden. Een verstoord galzuurmetabolisme kan daardoor onderdeel zijn van een darmomgeving waarin ook de barrièrefunctie verandert.

Een fecale galzuurbepaling is daarmee echter geen directe permeabiliteitstest. Een afwijkende totale galzuurconcentratie of een afwijkend galzuurprofiel vertelt niet hoeveel moleculen daadwerkelijk door de darmwand passeren.

Juist hier wordt wel duidelijk waarom het te eenvoudig is om darmbarrière, microbioom en vertering als losse onderdelen te bekijken. De hoeveelheid galzuren die het colon bereikt en de manier waarop het microbioom die galzuren vervolgens omzet, zijn twee verschillende processen die elkaar uiteindelijk in dezelfde darmomgeving ontmoeten.


Dysbiose en fecale pH: interessant, maar voorzichtig met conclusies

Ook de samenstelling van de fecale microbiota en de pH van de ontlasting worden door Rüffer meegenomen bij de beoordeling van de darmomgeving. Hij beschrijft daarbij een kwantitatieve analyse van aerobe, micro-aerofiele en anaerobe bacteriën, aangevuld met schimmels en de fecale pH. Op basis daarvan zou vervolgens gerichter gekozen kunnen worden voor pre- en probiotica.

Die gedachte is begrijpelijk, maar hier moeten we wel onderscheid maken tussen wat biologisch interessant is en wat klinisch voldoende gevalideerd is om een behandeling op te sturen.

Klassieke fecale kweek heeft duidelijke beperkingen

De darmmicrobiota van de hond bestaat voor een groot deel uit strikt anaerobe bacteriën. Juist deze bacteriën zijn met routinematige kweekmethoden lastig of helemaal niet te detecteren. Traditionele feceskweek geeft daardoor slechts een beperkt beeld van het werkelijke microbiële ecosysteem in de darm.

Dat is niet alleen een theoretisch probleem. In een studie werden fecesmonsters van gezonde honden en honden met chronische diarree naar drie veterinaire laboratoria gestuurd voor bacteriële kweek en beoordeling van dysbiose. De kweken konden gezonde en zieke honden niet betrouwbaar van elkaar onderscheiden en de uitslagen verschilden sterk tussen de laboratoria. Opvallend genoeg werd op basis van kweek zelfs vaker dysbiose gerapporteerd bij gezonde honden.

Voor het opsporen van specifieke pathogenen kan kweek uiteraard wel zinvol zijn. Als algemene analyse van de darmmicrobiota is de methode veel minder geschikt.

Daar komt nog bij dat feces vooral informatie geeft over de microbiota van het distale maag-darmkanaal. Onderzoek bij honden laat zien dat de microbiota in feces duidelijk kan verschillen van die in de dunne darm. Een fecesmonster is dus geen directe afspiegeling van alle microbiële gemeenschappen langs het gehele maag-darmkanaal.

De Dysbiosis Index geeft een ander soort informatie

Een meer gestandaardiseerde canine benadering is de Dysbiosis Index, DI. Deze gebruikt qPCR om specifieke bacteriële groepen in feces te meten en combineert die gegevens vervolgens in één index.

De oorspronkelijke ontwikkeling van de DI was gebaseerd op feces van 95 gezonde honden en 106 honden met histologisch bevestigde chronische enteropathie. Daarbij werden duidelijke verschillen gevonden in onder andere Faecalibacterium, Turicibacter, Blautia, Fusobacterium, Escherichia coli, Streptococcus en Clostridium hiranonis. De gecombineerde index kon gezonde honden en honden met chronische enteropathie beter onderscheiden dan één bacteriegroep afzonderlijk.

Dat maakt de DI een interessantere en beter onderbouwde methode dan een traditionele feceskweek wanneer de vraag specifiek over dysbiose gaat.

Ook deze test heeft echter zijn grenzen. De DI meet een geselecteerde groep bacteriën en vat die samen in één getal. Daarmee wordt niet het volledige microbioom in kaart gebracht en evenmin rechtstreeks gemeten wat die microbiota functioneel produceert.

De ACVIM-consensus uit 2026 beschouwt fecale microbiomevaluatie daarom als een mogelijke aanvullende bepaling, maar de kwaliteit van het bewijs voor de diagnostische toepassing blijft laag en de aanbeveling is zwak.

Een normale Dysbiosis Index sluit darmziekte dus niet uit en een afwijkende index vertelt op zichzelf nog niet waardoor de dysbiose is ontstaan.

En wat zegt de fecale pH?

De pH van de ontlasting wordt mede bepaald door wat er in het colon wordt gefermenteerd. Wanneer darmbacteriën bijvoorbeeld fermenteerbare koolhydraten en vezels omzetten in korteketenvetzuren, kan de fecale pH dalen. Bij meer proteolytische fermentatie kunnen andere metabolieten ontstaan en kan de pH juist hoger liggen.

Daarom kan fecale pH iets vertellen over het chemische milieu dat uiteindelijk in de ontlasting wordt teruggevonden.

Het is alleen geen specifieke ziekte- of barrièreparameter.

Voeding alleen kan de fecale pH al duidelijk veranderen. Bij gezonde honden leidde een verandering van droogvoer naar een voeding met veel rundvlees bijvoorbeeld tot een hogere fecale pH en veranderingen in het microbioom en de fecale metabolieten. In een ander onderzoek bij gezonde honden resulteerde een therapeutische gastro-intestinale voeding juist in een lagere fecale pH, terwijl tegelijkertijd onder andere de concentraties korteketenvetzuren en de microbiota veranderden.

Een hogere of lagere fecale pH kan daardoor niet zelfstandig worden geïnterpreteerd als dysbiose, ontsteking of verhoogde darmpermeabiliteit.

Kun je op basis hiervan gerichte probiotica kiezen?

Hier zou ik voorzichtig zijn met de stap die Rüffer maakt.

Dat een microbiota-analyse afwijkingen laat zien, betekent nog niet automatisch dat we op basis daarvan precies kunnen bepalen welke bacteriestam of welk prebioticum een individuele hond nodig heeft.

De effecten van pre- en probiotica zijn stam-, product- en contextafhankelijk. In de nieuwe ACVIM-consensus worden pre-, pro- en synbiotica slechts conditioneel aanbevolen bij CIE. In meerdere studies leverde toevoeging ervan aan een dieet geen duidelijke extra verbetering van de klinische respons op.

Dat betekent niet dat microbiota-ondersteuning geen rol kan spelen. Alleen is de stap van “deze bacteriële groep is laag” naar “dus deze specifieke probioticastam moet worden gegeven” op dit moment onvoldoende onderbouwd.

Juist de galzuren uit het vorige hoofdstuk laten bovendien zien waarom alleen naar aantallen bacteriën kijken tekort kan schieten. Een bacterie zoals Clostridium hiranonis is interessant omdat we ook iets weten over haar functie, namelijk de omzetting van primaire naar secundaire galzuren. Dat soort functionele informatie zegt biologisch vaak meer dan alleen de aanwezigheid of afwezigheid van een bacteriesoort.

Een fecale microbiota-analyse en fecale pH kunnen dus aanvullende informatie geven over de darmomgeving. Ze meten echter geen intestinale permeabiliteit, en de huidige literatuur ondersteunt nog onvoldoende dat deze gegevens op zichzelf een nauwkeurig individueel behandelplan met pre- en probiotica kunnen sturen.


Giardia: een concrete link met veranderde darmpermeabiliteit

Giardia neemt in het overzicht van Rüffer een wat andere plaats in dan de biomarkers die we hiervoor hebben besproken. Een Giardia-bepaling vertelt niets rechtstreeks over de doorlaatbaarheid van de darmwand. De parasiet kan echter zelf invloed hebben op de darmbarrière.

Dat verband is bij honden zelfs al vrij lang geleden functioneel onderzocht.

Verhoogde permeabiliteit bij honden met giardiasis

In 1990 onderzochten Hall en Batt de intestinale permeabiliteit bij honden met verschillende natuurlijk voorkomende aandoeningen van de dunne darm. Hiervoor gebruikten zij de eerder besproken ^51Cr-EDTA-test: na orale toediening werd gemeten hoeveel van deze marker gedurende 24 uur in de urine terechtkwam.

De intestinale permeabiliteit was verhoogd bij verschillende aandoeningen, waaronder tarwegevoelige enteropathie bij Ierse setters, bacteriële overgroei in de dunne darm én giardiasis. Na succesvolle behandeling nam de permeabiliteit weer af.

Dat is voor het onderwerp darmbarrière interessant. Hier werd namelijk niet alleen een indirecte biomarker gemeten: er werd daadwerkelijk onderzocht hoeveel van een toegediende marker de darmwand kon passeren.

Giardia kan dus samengaan met een functioneel aantoonbare verandering van de intestinale permeabiliteit bij honden. Dat betekent overigens niet dat iedere hond die positief test op Giardia automatisch een verstoorde darmbarrière heeft.

Een positieve Giardia-test is niet hetzelfde als ziekte

Dat onderscheid is belangrijk, omdat Giardia bij honden regelmatig wordt aangetroffen zonder duidelijke klinische klachten.

In een groot Nederlands onderzoek onder 1.291 honden bleek Giardia vooral veel voor te komen bij jonge en in groepen gehouden honden. Over de totale populatie was een positieve Giardia-test niet automatisch gekoppeld aan dunne ontlasting. Alleen binnen de groep huishonden werd zo'n verband wel gevonden.

Ook de ACVIM-consensus uit 2026 wijst hier expliciet op: Giardia-antigeen kan zowel worden aangetroffen bij gezonde honden als bij honden met CIE. Een positieve uitslag moet daarom altijd in de klinische context worden beoordeeld.

Recent longitudinaal onderzoek laat bovendien zien dat honden Giardia langdurig kunnen uitscheiden. Vooral bij pups kwamen chronische infecties met hoge cystenaantallen voor, maar ook volwassen groepsgehuisveste honden konden langdurig positief blijven of snel opnieuw besmet raken. Bij volwassen honden hing een hogere cystenbelasting wel samen met dunnere ontlasting.

Antigeen, PCR of microscopie?

Rüffer besteedt specifiek aandacht aan de detectie van een Giardia-specifiek antigeen in feces. Hij presenteert zo'n bepaling als een manier om een actieve infectie aan te tonen en zet dit af tegen microscopie en PCR.

Daar zou ik voorzichtiger mee zijn.

De verschillende testen zoeken namelijk naar verschillende onderdelen van Giardia:

  • microscopische methoden en directe immunofluorescentie zoeken naar cysten;
  • PCR zoekt naar DNA van Giardia;
  • fecale antigeentesten detecteren Giardia-specifieke eiwitten, bijvoorbeeld het cystewandantigeen GSA65.

Geen van deze methoden geeft op zichzelf volledig antwoord op de vraag hoeveel invloed de infectie op dat moment op de darm heeft.

Een studie uit 2024 vergeleek twee snelle antigeentesten met PCR en directe immunofluorescentie. De gecombineerde antigeentesten hadden een hoge specificiteit, maar een gevoeligheid van ongeveer 73–77%. De onderzoekers adviseerden daarom bij een negatieve sneltest zo nodig een methode te gebruiken die een ander biologisch kenmerk detecteert, zoals PCR.

De gedachte dat een fecale antigeentest per definitie beter dan PCR of microscopie kan vaststellen dat er sprake is van een klinisch relevante actieve infectie, wordt daarmee onvoldoende ondersteund.

Giardia is daarmee iets anders dan een ‘Leaky Gut-marker’

De plek van Giardia binnen dit verhaal is dus vooral die van een mogelijke oorzaak of medeonderhouder van schade aan de dunne darm, en niet die van een marker waarmee darmpermeabiliteit rechtstreeks kan worden gemeten.

Juist de oude ^51Cr-EDTA-studie maakt dat onderscheid mooi zichtbaar: Giardia werd met een aparte diagnostische methode vastgesteld, terwijl de verstoring van de barrièrefunctie met een functionele permeabiliteitstest werd aangetoond.

Een positieve Giardia-test zegt daardoor iets anders dan een afwijkende permeabiliteitstest. Bij dezelfde hond kunnen beide voorkomen, maar het ene is geen vervanging voor het andere.


Wat meet zo'n ‘Leaky Gut-panel’ dan eigenlijk?

Wanneer verschillende fecale bepalingen samen als Leaky Gut-panel worden aangeboden, kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat ze allemaal hetzelfde proces meten. Dat is niet zo. Ze geven informatie over verschillende onderdelen van de spijsvertering, mucosale afweer, ontsteking, microbiota en eiwitverlies.

Dat onderscheid is belangrijk bij de interpretatie.

BepalingWat wordt vooral beoordeeld?Directe maat voor intestinale permeabiliteit?
Functionele suikerabsorptietestPassage van toegediende testmoleculen door de darmwandJa, functioneel
^51Cr-EDTA-testPassage van een toegediende traceerstof door de darmwandJa, functioneel
ZonulineMogelijke relatie met regulatie van tight junctionsNee
Fecaal calprotectineIntestinale ontstekingsactiviteitNee
Fecaal α1PIVerlies van plasma-eiwitten via het maag-darmkanaalNee
Secretorisch IgAMucosale immuunactiviteitNee
PMN-elastaseNeutrofiele ontstekingsactiviteitNee
LysozymActiviteit van de aangeboren mucosale afweerNee
PancreaselastaseExocriene pancreasfunctieNee
Fecale galzurenGalzuurverlies en/of veranderingen in het galzuurmetabolismeNee
Microbiota / Dysbiosis IndexVeranderingen in geselecteerde bacteriële groepenNee
Fecale pHChemisch milieu in de feces, mede beïnvloed door fermentatie en voedingNee
Giardia-diagnostiekAanwezigheid van Giardia of onderdelen daarvanNee — mogelijke oorzaak van darmbarrièreverstoring

Het opvallende is dus dat vrijwel alle bepalingen die in de context van Leaky Gut worden genoemd, geen permeabiliteit meten.

Dat maakt ze niet waardeloos. Integendeel: calprotectine kan iets vertellen over ontsteking, α1PI over intestinaal eiwitverlies, sIgA over de mucosale afweer, pancreaselastase over de exocriene pancreasfunctie en galzuren en microbiotametingen over processen die de darmomgeving mede bepalen.

Ze beantwoorden alleen verschillende vragen.

Een hond kan bijvoorbeeld een verhoogde calprotectinewaarde hebben zonder dat daarmee is aangetoond dat de darmwand meer moleculen doorlaat. Een afwijkende Dysbiosis Index zegt iets over een karakteristieke verschuiving binnen de fecale microbiota, maar bewijst geen verhoogde permeabiliteit. En een lage pancreaselastase kan aanleiding zijn de pancreasfunctie verder te onderzoeken, terwijl die uitslag op zichzelf niets zegt over de tight junctions tussen de darmepitheelcellen.

Omgekeerd kan een veranderde darmbarrière natuurlijk wel tegelijkertijd voorkomen met ontsteking, dysbiose, eiwitverlies of veranderingen in het galzuurmetabolisme. Bij chronische enteropathieën grijpen deze processen voortdurend op elkaar in.

Daarom is het uiteindelijk vooral de combinatie van bevindingen en de klinische context die betekenis krijgt. Een laboratoriumpanel kan verschillende stukjes van het darmmilieu zichtbaar maken, maar het verandert daarmee nog niet in één diagnostische test voor Leaky Gut.


Wat dit voor mijn eigen praktijk heeft veranderd

Ook mijn eigen kijk op uitgebreide fecale onderzoeken is de afgelopen jaren veranderd. Ik heb in mijn praktijk regelmatig gewerkt met fecale profielen van onder andere Enterosan, juist omdat ze in één onderzoek veel verschillende aspecten van de darmfunctie proberen samen te brengen.

Inmiddels ben ik daar terughoudender mee geworden. Niet omdat iedere bepaling binnen zo'n profiel zonder waarde is, maar omdat bij een aantal parameters nog veel onzekerheid bestaat over referentiewaarden, analysemethoden en vooral over wat een afwijkende uitslag bij een individuele hond daadwerkelijk betekent.

Een fecale pancreaselastase kan bijvoorbeeld aanleiding geven om de pancreas verder te onderzoeken, maar vervangt geen serum-cTLI. Calprotectine kan informatie geven over intestinale ontstekingsactiviteit, maar meet geen permeabiliteit. En voor markers zoals fecaal zonuline, PMN-elastase en lysozym is de klinische validatie bij honden nog beperkt.

Juist daardoor ben ik steeds kritischer gaan kijken naar de vraag welke bepaling ik nodig heb om een concrete klinische vraag te beantwoorden, in plaats van standaard een breed fecaal panel te laten uitvoeren. Een uitgebreid rapport met veel afwijkende waarden geeft immers pas houvast wanneer voldoende duidelijk is wat die waarden bij de hond betekenen en welke consequenties je er verantwoord aan kunt verbinden.


Waarom de combinatie uiteindelijk interessanter is

De waarde van deze bepalingen zit vooral in wat ze samen laten zien.

Ontsteking, mucosale afweer, eiwitverlies, vertering, microbiota en galzuurmetabolisme zijn verschillende processen, maar functioneren in de darm niet los van elkaar. Een verandering in het ene systeem kan gevolgen hebben voor het andere. Zo kan inflammatie de epitheliale barrière beïnvloeden, kunnen veranderingen in het microbioom de galzuuromzetting veranderen en kan een verminderde vertering weer gevolgen hebben voor wat er verderop in de darm beschikbaar komt voor bacteriële fermentatie.

Daarom kan een combinatie van afwijkingen biologisch veelzeggender zijn dan één losse laboratoriumwaarde.

Tegelijkertijd moet iedere marker op zijn eigen betekenis worden geïnterpreteerd. Een verhoogde calprotectinewaarde wordt geen permeabiliteitstest doordat er daarnaast dysbiose wordt gevonden, en een verhoogde zonulinewaarde wordt niet automatisch betrouwbaarder doordat ook sIgA afwijkend is.

Voor een hond met chronische maag-darmklachten blijft daarom het volledige klinische beeld bepalend: klachtenpatroon, voedingsgeschiedenis, lichamelijk onderzoek en gerichte veterinaire diagnostiek, aangevuld met laboratoriumonderzoek wanneer dat daadwerkelijk iets toevoegt.

Een Leaky Gut-panel kan verschillende processen rond de darmbarrière zichtbaar maken. Eén laboratoriumuitslag waarmee bij de hond kan worden vastgesteld dat de darm ‘lekt’, bestaat op dit moment niet.


Gebruikte literatuur
  • Rüffer A. Leaky Gut – Diagnostik von Darmbarriere-Störungen bei Hund und Katze. Zeitschrift für Ganzheitliche Tiermedizin. 2026;40:107–112.
  • Heilmann RM, Jergens AE, Kathrani A, Allenspach K, Salavati Schmitz S, Priestnall SL, Dandrieux JRS, O’Connor AM. ACVIM-endorsed statement: consensus statement and systematic review on guidelines for the diagnosis and treatment of chronic inflammatory enteropathy in dogs. Journal of Veterinary Internal Medicine. 2026;40(1):aalaf017. doi:10.1093/jvimsj/aalaf017.
  • Deschamps C, Denis S, Humbert D, Zentek J, Priymenko N, Apper E, Blanquet-Diot S. In vitro models of the canine digestive tract as an alternative to in vivo assays: Advances and current challenges. ALTEX. 2022;39(2):235–257. doi:10.14573/altex.2109011.
  • Allenspach K, Steiner JM, Shah BN, Berghoff N, Ruaux C, Williams DA, Blum JW, Gaschen F. Evaluation of gastrointestinal permeability and mucosal absorptive capacity in dogs with chronic enteropathy. American Journal of Veterinary Research. 2006;67(3):479–483. doi:10.2460/ajvr.67.3.479.
  • Hall EJ, Batt RM. Enhanced intestinal permeability to ^51Cr-labeled EDTA in dogs with small intestinal disease. Journal of the American Veterinary Medical Association. 1990;196(1):91–95. doi:10.2460/javma.1990.196.01.91.
  • Sørensen SH, Proud FJ, Rutgers HC, Markwell P, Adam A, Batt RM. A blood test for intestinal permeability and function: a new tool for the diagnosis of chronic intestinal disease in dogs. Clinica Chimica Acta. 1997;264(1):103–115. doi:10.1016/S0009-8981(97)00077-6.
  • Rodríguez H, Berghoff N, Suchodolski JS, Steiner JM. Kinetic analysis of 5 sugar probes in dog serum after orogastric administration. Canadian Journal of Veterinary Research. 2009;73(3):217–223.
  • Dinesh N, Slovak JE, Kogan C, Kopper JJ. Preliminary evaluation of serum zonulin in canine chronic enteropathies. Journal of Small Animal Practice. 2022;63(9):679–685. doi:10.1111/jsap.13506.
  • Rossi G, Gavazza A, Vincenzetti S, et al. Clinicopathological and fecal proteome evaluations in 16 dogs presenting chronic diarrhea associated with lymphangiectasia. Veterinary Sciences. 2021;8(10):242. doi:10.3390/vetsci8100242.
  • Meineri G, Cocolin L, Morelli G, Schievano C, Atuahene D, Ferrocino I. Effect of an enteroprotective complementary feed on faecal markers of inflammation and intestinal microbiota composition in weaning puppies. Veterinary Sciences. 2023;10(7):434. doi:10.3390/vetsci10070434.
  • Scheffler L, Crane A, Heyne H, et al. Widely used commercial ELISA does not detect precursor of haptoglobin2, but recognizes properdin as a potential second member of the zonulin family. Frontiers in Endocrinology. 2018;9:22. doi:10.3389/fendo.2018.00022.
  • Heilmann RM, Berghoff N, Mansell J, et al. Association of fecal calprotectin concentrations with disease severity, response to treatment, and other biomarkers in dogs with chronic inflammatory enteropathies. Journal of Veterinary Internal Medicine. 2018;32(2):679–692. doi:10.1111/jvim.15065.
  • Enderle LL, Köller G, Heilmann RM. Verification of the fCAL turbo immunoturbidimetric assay for measurement of the fecal calprotectin concentration in dogs and cats. Journal of Veterinary Diagnostic Investigation. 2022;34(5):813–824. doi:10.1177/10406387221114031.
  • Murphy KF, German AJ, Ruaux CG, Steiner JM, Williams DA, Hall EJ. Fecal alpha1-proteinase inhibitor concentration in dogs with chronic gastrointestinal disease. Veterinary Clinical Pathology. 2003;32(2):67–72. doi:10.1111/j.1939-165x.2003.tb00316.x.
  • Heilmann RM, Paddock CG, Ruhnke I, Berghoff N, Suchodolski JS, Steiner JM. Development and analytical validation of a radioimmunoassay for the measurement of alpha1-proteinase inhibitor concentrations in feces from healthy puppies and adult dogs. Journal of Veterinary Diagnostic Investigation. 2011;23(3):476–485. doi:10.1177/1040638711404152.
  • Tress U, Suchodolski JS, Williams DA, Steiner JM. Development of a fecal sample collection strategy for extraction and quantification of fecal immunoglobulin A in dogs. American Journal of Veterinary Research. 2006;67(10):1756–1759. doi:10.2460/ajvr.67.10.1756.
  • Rinkinen M, Teppo AM, Harmoinen J, Westermarck E. Relationship between canine mucosal and serum immunoglobulin A (IgA) concentrations: serum IgA does not assess duodenal secretory IgA. Microbiology and Immunology. 2003;47(2):155–159. doi:10.1111/j.1348-0421.2003.tb02799.x.
  • Oliveira IM, Ribeiro RR, Cysneiros MEC, et al. Intestinal biomarkers and their importance in canine enteropathies. Veterinary Medicine International. 2024;2024:7409482. doi:10.1155/vmi/7409482.
  • Spillmann T, Wittker A, Teigelkamp S, Eim C, Burkhardt E, Eigenbrodt E, Sziegoleit A. An immunoassay for canine pancreatic elastase 1 as an indicator for exocrine pancreatic insufficiency in dogs. Journal of Veterinary Diagnostic Investigation. 2001;13(6):468–474. doi:10.1177/104063870101300603.
  • Steiner JM, Rehfeld JF, Pantchev N. Evaluation of fecal elastase and serum cholecystokinin in dogs with a false positive fecal elastase test. Journal of Veterinary Internal Medicine. 2010;24(3):643–646. doi:10.1111/j.1939-1676.2010.0489.x.
  • AlShawaqfeh MK, Wajid B, Minamoto Y, et al. A dysbiosis index to assess microbial changes in fecal samples of dogs with chronic inflammatory enteropathy. FEMS Microbiology Ecology. 2017;93(11):fix136. doi:10.1093/femsec/fix136.
  • Guard BC, Honneffer JB, Jergens AE, et al. Longitudinal assessment of microbial dysbiosis, fecal unconjugated bile acid concentrations, and disease activity in dogs with steroid-responsive chronic inflammatory enteropathy. Journal of Veterinary Internal Medicine. 2019;33(3):1295–1305. doi:10.1111/jvim.15493.
  • Wang S, Martins R, Sullivan MC, et al. Diet-induced remission in chronic enteropathy is associated with altered microbial community structure and synthesis of secondary bile acids. Microbiome. 2019;7:126. doi:10.1186/s40168-019-0740-4.
  • Herstad KMV, Gajardo K, Bakke AM, et al. A diet change from dry food to beef induces reversible changes on the faecal microbiota in healthy, adult client-owned dogs. BMC Veterinary Research. 2017;13:147. doi:10.1186/s12917-017-1073-9.
  • Ktenas S, Roeber F, Meggiolaro MN, Ktenas A, Ward MP, Šlapeta J. Comparison of Giardia duodenalis point-of-care antigen faecal tests to reference laboratory assays in non-symptomatic dogs. Veterinary Parasitology. 2024;327:110139. doi:10.1016/j.vetpar.2024.110139.