Overslaan naar inhoud

Probiotica tijdens een voerwissel: onderzoek naar L. reuteri

Een nieuwe studie naar Limosilactobacillus reuteri laat zien hoe deze bacteriestam de ontlasting en darmmicrobiota van honden tijdens een voerwissel kan beïnvloeden.
4 november 2026 in
Probiotica tijdens een voerwissel: onderzoek naar L. reuteri
info@canibalance.nl

Bij de beoordeling van een probioticum begint de inhoudelijke afweging bij de bacteriestam, de onderzochte populatie en het beoogde effect. Een verbetering van de ontlastingsconsistentie, een verandering in de microbiota en een effect op de darmbarrière zijn afzonderlijke uitkomsten, die ieder hun eigen onderbouwing vragen.

Een op 4 november 2026 gepubliceerde studie van Rendina en collega’s brengt die afweging opnieuw onder de aandacht. De onderzoekers onderzochten Limosilactobacillus reuteri ATCC PTA 6127 bij gezonde volwassen honden tijdens een abrupte overgang van droogvoer naar natvoer. De resultaten geven aanleiding om deze stam verder te onderzoeken als ondersteuning tijdens een voedingsverandering. Voor de voedingstherapeutische praktijk zit de waarde vooral in een nauwkeurige lezing van wat daadwerkelijk is gemeten.

Het belang van de bacteriestam

L. reuteri ATCC PTA 6127 werd oorspronkelijk geïsoleerd uit de ontlasting van een gezonde hond. In de publicatie wordt de stam aangeduid met de handelsnaam PureStrong. De herkomst uit de hond maakt onderzoek binnen deze diersoort relevant; eventuele voordelen moeten vervolgens blijken uit studies met deze specifieke stam.

Voor onze beoordeling blijft daarom de volledige stamaanduiding essentieel. Onderzoeksresultaten van ATCC PTA 6127 zijn niet zonder meer overdraagbaar op een ander product met L. reuteri, op een combinatie van bacteriestammen of op een afwijkende dosering. Ook de levensvatbaarheid van de bacteriën en de onderzochte toedieningsvorm horen bij die afweging.

Het onderzoek bij zestien beagles

De gerandomiseerde, geblindeerde en placebogecontroleerde studie omvatte zestien gezonde beagles van twee tot acht jaar, verdeeld over twee groepen van acht honden. Beide groepen bevatten evenveel reuen als teven; bij de toewijzing werd ook rekening gehouden met het lichaamsgewicht.

Na een uitgangsperiode van zeven dagen op droogvoer schakelden alle honden abrupt over op hetzelfde natvoer. Gedurende de aansluitende onderzoeksperiode kreeg één groep dagelijks ten minste 1 × 10⁸ kolonievormende eenheden (KVE) van de onderzochte stam. De andere groep kreeg een placebo op basis van maltodextrine. Het poeder werd met een eerste portie voer aangeboden, zodat de onderzoekers de volledige opname konden controleren.

Bij deze overgang veranderde ook de samenstelling van het voer. Het oorspronkelijke droogvoer bevatte onder meer granen, dierlijke ingrediënten met 4% kip, oliën, vetten en mineralen. Het natvoer bevatte eveneens granen en dierlijke ingrediënten, waaronder 4% rund, aangevuld met plantaardige bijproducten. In de ingrediëntenbeschrijving van het natvoer wordt daarnaast de categorie ‘various sugars’ (suikers) genoemd. In de hoofdtekst wordt niet gespecificeerd welke suikers het betreft of in welke hoeveelheden deze aanwezig waren. De verschillen betroffen dus meerdere voedingscomponenten tegelijk.

De primaire uitkomsten betroffen de verdraagbaarheid, beoordeeld aan de hand van klinische observaties, voeropname, lichaamsgewicht en bloedonderzoek. Daarnaast volgden de onderzoekers de ontlastingsconsistentie, fecale pH en het vochtgehalte van de ontlasting. De fecale microbiota werd onderzocht met sequencing van het V3–V4-gebied van het bacteriële 16S-rRNA-gen.

De onderzoeksopzet sluit aan bij een herkenbare situatie waarin de darm zich aan andere voeding moet aanpassen. De honden waren bij aanvang gezond en verbleven onder gecontroleerde omstandigheden. Daarmee blijft de onderzochte toepassing afgebakend tot ondersteuning tijdens deze specifieke voedingsverandering.

Minder slecht gevormde ontlasting

Slecht gevormde ontlasting kwam in de probioticagroep voor bij één van de 172 beoordeelbare waarnemingen, tegenover tien van de 158 waarnemingen in de placebogroep. Dat komt overeen met respectievelijk 0,58% en 6,33%. Het absolute verschil bedroeg ongeveer 5,75 procentpunt.

Deze percentages hebben betrekking op ontlastingswaarnemingen. Elke hond leverde meerdere metingen, waardoor het aantal waarnemingen groter was dan het aantal onafhankelijke proefdieren. De onderzoekers verwerkten die herhaalde metingen in een ordinaal mixed model met de individuele hond als random effect.

Dat model vond een oddsratio van 0,27 voor indeling in een slechtere ontlastingscategorie, met een 95%-betrouwbaarheidsinterval van 0,08 tot 0,90 en een p-waarde van 0,033. De auteurs beschrijven dit als 73% lagere odds op een slechtere score.

De gerapporteerde afwijkende ontlasting betrof score 4, omschreven als slecht gevormd of stroperig. De categorieën diarree (score 5) en waterige diarree (score 6) kwamen tijdens het onderzoek in geen van beide groepen voor. Er is dus geen rechtstreeks bewijs dat de onderzochte stam diarree voorkomt of vermindert. De resultaten hebben betrekking op verschillen in ontlastingsconsistentie bij verder gezonde honden.

Voor de praktijk is dit een relevant signaal voor een gunstiger ontlastingsconsistentie tijdens een voerwissel. Tegelijk was het aantal ongunstige waarnemingen klein en waren er slechts acht honden per groep. De omvang van het effect vraagt daarom om bevestiging in grotere studies.

Fecale pH en vochtgehalte

Op dag 28 lag de fecale pH in de probioticagroep na correctie voor de uitgangswaarde gemiddeld ongeveer 0,22 pH-eenheid lager dan in de placebogroep. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval liep van −0,403 tot −0,045; de p-waarde bedroeg 0,018.

Die correctie is inhoudelijk relevant, omdat de probioticagroep al vóór de eerste toediening een lagere fecale pH had. Binnen die groep trad geen significante pH-verandering op. In de placebogroep steeg de pH licht. De uitkomst beschrijft daarmee vooral een relatief lagere pH aan het einde van de studie.

Een lagere fecale pH kan passen bij veranderingen in de microbiële fermentatie en de vorming van organische zuren. Welke metabolieten hieraan bijdroegen, blijft onzeker. De onderzoekers bepaalden geen korteketenvetzuren, lactaat of andere fermentatieproducten. Een toename van de butyraatproductie of een verbeterde voeding van colonocyten kan op basis van deze resultaten niet worden vastgesteld.

Het vochtgehalte van de ontlasting nam na de voerwissel in beide groepen toe. Op dag 28 bedroeg dit gemiddeld 70,92% in de placebogroep en 69,98% in de probioticagroep, zonder significant verschil tussen beide groepen.

De gunstigere ontlastingsscore ging dus samen met een vergelijkbaar gemeten vochtpercentage. De vorm en stevigheid van ontlasting worden mede beïnvloed door de darmpassage, microbiële activiteit en de structuur van de fecale massa. Welke bijdrage deze factoren in het onderzoek leverden, werd niet vastgesteld.

Veranderingen in de microbiota

De grootste verschuiving in de fecale microbiota vond plaats rondom de overgang van droogvoer naar natvoer. In de PERMANOVA-analyse verklaarde de factor meetdag ongeveer 43,8% van de variatie in de microbiële samenstelling. De groepsindeling verklaarde ongeveer 7,6%.

Deze percentages vragen om een zorgvuldige interpretatie. Alle uitgangsmetingen vonden plaats tijdens de droogvoerperiode en alle latere metingen tijdens de natvoerperiode. Tijd en voeding waren daardoor sterk met elkaar verweven. Bovendien veranderden zowel het vochtgehalte als verschillende ingrediënten en de voedingssamenstelling. Het aandeel van 43,8% kan daarom niet uitsluitend aan het type voeding worden toegeschreven.

Al twee dagen vóór de voerwissel en de start van de suppletie verschilden de onderzoeksgroepen significant in hun darmmicrobiota. Op dat moment verklaarde de groepsindeling 22,7% van de variatie in de microbiële samenstelling (R² = 0,227; p = 0,010). Ook de 7,6% die in de analyse over de gehele onderzoeksperiode samenhing met de groepsindeling kan daarom niet volledig als een probioticumeffect worden gelezen.

Wanneer de onderzoekers de veranderingen binnen individuele honden ten opzichte van hun uitgangswaarde beoordeelden, waren de verschillen tussen de groepen op dag 7 en 14 niet significant. Op dag 28 was er een grenssignaal voor een kleinere verandering ten opzichte van de uitgangswaarde bij de probioticagroep (p = 0,05). Dit biedt hooguit een aanwijzing dat de microbiële gemeenschap bij deze honden dichter bij de oorspronkelijke samenstelling bleef.

De probioticagroep liet op dag 7 en dag 28 een hogere Shannon-diversiteit zien. Deze maat combineert soortenrijkdom met de evenwichtigheid van hun verdeling. De gezondheidsbetekenis daarvan blijft contextafhankelijk: de meting geeft geen rechtstreeks inzicht in de metabole activiteit van de gemeenschap of in de toestand van het darmslijmvlies.

Grafieken van de darmmicrobiota bij zestien beagles tijdens een voerwissel, met Shannon-diversiteit, bètadiversiteit en de relatieve aanwezigheid van vijftien bacteriesoorten.

Bron: Rendina et al. (2026), Frontiers in Veterinary Science, CC BY 4.0. - Figure 3


Welke bacteriën veranderden?

Na de voerwissel zagen de onderzoekers onder andere een duidelijke relatieve toename van Clostridium perfringens. Tegelijkertijd nam de relatieve aanwezigheid van verschillende melkzuurbacteriën af, waaronder Lactobacillus acidophilus, Ligilactobacillus animalis en Limosilactobacillus urinaemulieris.

Warmtekaart van veranderingen in bacteriesoorten bij beagles tijdens de voerwissel, met verschillen tussen de probiotica- en placebogroep en tussen droogvoer en natvoer.  Kopiëren

Bron: Rendina et al. (2026), Frontiers in Veterinary Science, CC BY 4.0. - Figure 4


De toename van C. perfringens verdient enige nuance. Deze bacteriesoort kan ook aanwezig zijn in de darm van gezonde honden. De relatieve aanwezigheid van bacterieel DNA zegt op zichzelf niets over de productie van enterotoxinen of het ontstaan van ziekte.

Tegen de achtergrond van deze brede veranderingen vonden de onderzoekers op dag 7 een sterkere relatieve toename van L. reuteri in de probioticagroep. Ook enkele andere melkzuurbacteriën en commensalen vertoonden een ander verloop, waaronder Bifidobacterium pseudolongum, Butyricicoccus pullicaecorum, Turicibacter bilis en Romboutsia faecis.

Sommige van deze bacteriën worden in verband gebracht met saccharolytische fermentatie en de vorming van korteketenvetzuren. De gevonden verschuivingen tonen echter geen veranderingen in de daadwerkelijke productie van deze metabolieten aan.

De meeste verschillen in afzonderlijke bacteriesoorten werden tijdens de eerste twee weken gevonden en waren op dag 28 niet meer aantoonbaar. Een deel van deze analyses was bovendien verkennend, met statistische signalen bij q-waarden tot 0,10 en zwakkere aanwijzingen tussen 0,10 en 0,20.

Daarmee ontstaat vooral een beeld van tijdelijke verschillen in het verloop van de microbiota tijdens de aanpassing aan andere voeding. Of deze verschuivingen rechtstreeks hebben bijgedragen aan de betere ontlastingsconsistentie, blijft onzeker.

Kolonisatie blijft onzeker

Een opvallend detail is dat een 16S-sequentie die overeenkwam met het onderzochte fragment van ATCC PTA 6127 al vóór de suppletie in beide groepen werd aangetroffen. Tijdens de interventie werd deze sequentie slechts in enkele monsters teruggevonden: vier monsters uit de probioticagroep en één uit de placebogroep.

Een overeenkomst in dit korte DNA-fragment biedt onvoldoende zekerheid om de toegediende stam te onderscheiden van nauw verwante, al aanwezige L. reuteri-stammen. De methode toont evenmin aan of aangetroffen bacteriën levensvatbaar zijn. Voor uitspraken over blijvende kolonisatie zou bovendien opvolging na het stoppen met de suppletie nodig zijn.

Dit raakt aan een breder interpretatiepunt bij fecaal microbiotaonderzoek. De relatieve hoeveelheid bacterieel DNA in ontlasting geeft een beeld van de bemonsterde gemeenschap. De activiteit van bacteriën, hun contact met het slijmvlies en hun bijdrage aan een klinisch effect vragen om aanvullende metingen.

Voor een probioticum is blijvende kolonisatie overigens geen noodzakelijke voorwaarde voor een mogelijk functioneel effect. Tijdelijke aanwezigheid kan voldoende zijn voor interacties met andere micro-organismen of voor de afgifte van biologisch actieve stoffen. Of dergelijke processen in deze studie daadwerkelijk verantwoordelijk waren voor de gevonden verschillen, is niet onderzocht.

De darmbarrière in celmodellen

Eerder onderzoek met dezelfde stam biedt enige mechanistische context. In 2026 verschenen twee aanvullende studies waarin ATCC PTA 6127 werd onderzocht in hondencelmodellen.

Udrea en collega’s onderzochten een celvrij supernatant van ATCC PTA 6127 in epitheliale en macrofaagachtige hondencellen die aan lipopolysacharide (LPS) werden blootgesteld. Dit supernatant bevatte door de bacteriën afgegeven stoffen, zonder levende bacteriën.

In het epitheliale model verminderde de passage van een fluorescerende dextranmarker met ongeveer 5,1% ten opzichte van de LPS-controle. Deze uitkomst wijst onder de onderzochte omstandigheden op een bescheiden afname van de gemeten permeabiliteit. Opvallend was dat de onderzoekers daarbij geen aantoonbare veranderingen vonden in de genexpressie van tight junctions, adherens junctions of mucinen.

Daarnaast veranderde in macrofaagachtige cellen de expressie van enkele stress- en ontstekingsgerelateerde genen, waaronder IL-6 en CCL2. Deze bevindingen geven aanknopingspunten voor vervolgonderzoek naar effecten van bacterieel geproduceerde stoffen op epitheliale en immuungerelateerde processen.

Walker en collega’s onderzochten eveneens ATCC PTA 6127 in een hondeneptheelmodel. Zij vonden onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden een remming van de groei van verschillende onderzochte stammen van enterotoxigene Escherichia coli, Clostridium perfringens en Salmonella Typhimurium door het celvrije supernatant. Levende bacteriën van ATCC PTA 6127 verminderden bovendien de hechting van deze onderzochte pathogenen aan epitheliale cellen.

In het supernatant werden verschillende metabolieten aangetroffen die in verband worden gebracht met antimicrobiële activiteit, waaronder indool-3-melkzuur, fenylazijnzuur en fenylmelkzuurderivaten. Welke stoffen afzonderlijk verantwoordelijk waren voor de waargenomen effecten, werd niet vastgesteld.

Verder zagen de onderzoekers een gunstiger verloop van wondsluiting in een epitheliaal celmodel. Dit verschil werd vooral op de latere meetmomenten, dag 9 en 10, zichtbaar. Ook veranderde de aanwezigheid van enkele eiwitten die betrokken zijn bij celmigratie en weefselherstel.

Deze bevindingen laten zien dat ATCC PTA 6127 onder gecontroleerde omstandigheden verschillende biologische effecten kan hebben. De resultaten bieden aanknopingspunten voor vervolgonderzoek naar interacties met darmmicro-organismen, epitheliale cellen en de darmbarrière.

De klinische studie bij de beagles onderzocht geen darmpermeabiliteit, mucosale ontsteking, immuunfunctie of microbiële metabolieten. Er zijn daarmee nog geen klinische gegevens waaruit blijkt dat deze stam de darmbarrière bij levende honden herstelt of chronische enteropathie gunstig beïnvloedt. De verbinding tussen de laboratoriumbevindingen en een meetbaar effect bij de hond moet nog worden gelegd.

Verdraagbaarheid en bewijskracht

Alle zestien honden voltooiden de studie en er werden geen bijwerkingen of klinisch relevante, behandelingsgerelateerde afwijkingen vastgesteld. Ook de dagelijkse observaties van gedrag en algemeen welzijn lieten geen bijzonderheden zien. Er werd geen braken, lusteloosheid, angst of onrust geregistreerd.

Dit ondersteunt een goede verdraagbaarheid bij gezonde volwassen beagles gedurende 28 dagen, bij de onderzochte dosis. Over langdurige toediening en toepassing bij kwetsbare of zieke honden geeft deze studie geen uitsluitsel.

Naast de beperkte groepsgrootte zijn enkele andere punten relevant. De steekproefberekening was gebaseerd op fecaal vochtgehalte, terwijl juist de ontlastingsscore het duidelijkste positieve resultaat opleverde. Voor de analyse van de ontlastingsscores met het ordinale mixed model wordt geen afzonderlijke correctie voor het toetsen van meerdere uitkomsten beschreven. De gevonden p-waarde van 0,033 vraagt daarom, mede gezien het kleine aantal honden, om een voorzichtige interpretatie. Bevestiging in een grotere studie is wenselijk.

De probioticagroep at gemiddeld ook significant meer voer dan de placebogroep (p < 0,001). Omdat de voeropname tijdens de uitgangsperiode niet was vastgelegd, blijft onzeker of dit verschil al vóór de suppletie bestond. Verschillen in voeropname kunnen de interpretatie van zowel fecale als microbiële uitkomsten beïnvloeden.

Ook de onderzochte populatie verdient aandacht. De honden waren gezond, behoorden allemaal tot hetzelfde ras en verbleven in een gestandaardiseerde onderzoeksomgeving. Hun reactie op de voerwissel hoeft daarmee niet representatief te zijn voor honden met uiteenlopende voedingspatronen, leefomstandigheden of bestaande maag-darmproblemen.

De studie werd gefinancierd door BioGaia AB. Alle auteurs waren werkzaam bij BioGaia of International Flavors & Fragrances (IFF), dat de onderzochte bacteriestam van BioGaia in licentie heeft. Ook de twee aanvullende celstudies van Udrea en Walker werden uitgevoerd door onderzoekers die werkzaam zijn bij IFF. Hoewel deze onderzoeken verschillende aspecten van dezelfde bacteriestam belichten, vormen ze daarmee geen onafhankelijke bevestiging van de bevindingen. Deze commerciële betrokkenheid is relevant bij de beoordeling van de bewijskracht.

Onafhankelijke herhaling, bij voorkeur met meer honden, vooraf vastgelegde klinisch relevante uitkomsten en een betere controle van de uitgangsverschillen, zou de onderbouwing versterken. Ook onderzoek bij honden met een gevoelige spijsvertering, onder stabiele voedingsomstandigheden en met directe metingen van microbiële metabolieten zou waardevolle aanvullende informatie kunnen opleveren.

Betekenis voor de praktijk

Voor collega’s biedt deze publicatie vooral een concreet kader om productclaims te toetsen. Komt de volledige stamaanduiding overeen? Is de onderzochte dagelijkse hoeveelheid aanwezig? Sluiten de hond en de beoogde toepassing aan bij de onderzoekspopulatie? En wordt een effect op ontlastingsconsistentie ook daadwerkelijk als zodanig beschreven?

De gebruikte hoeveelheid van 1 × 10⁸ KVE per hond per dag is een onderzoeksdosering. Deze studie onderzocht geen dosis-responsrelatie en levert geen onderbouwing voor een algemene dosering per kilogram lichaamsgewicht.

Bij de evaluatie van een voedingsinterventie verdient het ook aandacht welke factoren gelijktijdig veranderen. Voersamenstelling, voerhoeveelheid, overgangssnelheid en aanvullende producten kunnen allemaal het beeld beïnvloeden. In dit onderzoek veranderden zowel de voervorm als verschillende ingrediënten en voedingskenmerken, waardoor de invloed van afzonderlijke veranderingen moeilijk te onderscheiden is.

Een vaste ontlastingsscore, een overzicht van de voeropname en een heldere tijdlijn maken waarnemingen beter bruikbaar in het dossier en in het overleg met de behandelend dierenarts. Daarbij is het zinvol om veranderingen in ontlastingsconsistentie afzonderlijk te registreren van daadwerkelijke diarree, braken of andere maag-darmverschijnselen.

Bij aanhoudende of terugkerende darmklachten blijft veterinaire diagnostiek onderdeel van die samenwerking.


Leaky Gut bij honden: wat meten we eigenlijk?
Over darmbarrière, zonuline, calprotectine, α1PI, microbiota en galzuren