Niet elke hondeneigenaar houdt zich bezig met plantaardig voeren. Toch ontstaat er steeds vaker nieuwsgierigheid naar hoe honden verschillende typen voeding verwerken, waarom sommige dieren anders reageren op bepaalde ingrediënten en hoe flexibel hun spijsvertering eigenlijk is.
Het recente metaboloomonderzoek van de Ontario Veterinary College (University of Guelph, Canada) sluit goed aan bij die behoefte aan helderheid. De onderzoekers keken niet naar honden met klachten, maar naar gezonde volwassen huishonden. Zo konden ze onderzoeken welke stoffen in de darm ontstaan wanneer de samenstelling van het dieet verandert.
Het onderzoek maakte deel uit van een groter meerjarig project en liep van juli 2019 tot november 2020. De COVID-lockdown zorgde voor een verplichte pauze van vier maanden. Zodra het weer toegestaan was, werd het onderzoek hervat, en de honden bleven in de tussentijd op hun toegewezen dieet. De uiteindelijke resultaten zijn gepubliceerd in februari 2025.
De honden en de opzet
De studie includeerde volwassen, gezonde huishonden (≥3 jaar) met een lichaamsconditiescore tussen 4 en 7 op 9 en normale bloedwaarden. Ze werden via lokale advertenties en sociale media geworven en leefden gedurende het hele onderzoek gewoon bij hun eigenaren thuis.
Voordat de eigenlijke vergelijking begon, kregen álle honden vier weken lang hetzelfde dierlijke dieet. Die periode was bedoeld om een vergelijkbare uitgangssituatie te creëren. Daarna werden de honden willekeurig toegewezen aan het plantaardige of dierlijke dieet. Het onderzoek was gerandomiseerd en dubbelblind; zowel de eigenaren als de onderzoekers wisten niet welke voeding een hond kreeg.
De voeding werd zeer strikt gecontroleerd. Eigenaren kregen een digitale weegschaal om de hoeveelheden exact af te meten, en mochten per dag maximaal 10% van de energie-inname aan snacks geven. Die snacks moesten voor alle honden plantaardig zijn en geen extra micronutriënten bevatten. Alles werd bijgehouden in een voedseldagboek, zodat de onderzoekers konden controleren of de honden uitsluitend hun toegewezen dieet kregen.
De energie-inname werd gebaseerd op de voedingsgeschiedenis van elke individuele hond, zodat veranderingen in het metaboloom niet konden worden toegeschreven aan gewichtsverlies of -toename.
Uitval vóór de start van de 12-weekse fase
Tijdens de vierweekse adaptatieperiode stopten 11 honden. Dat kwam niet door het plantaardige dieet — want op dat moment kregen alle honden dezelfde dierlijke voeding — maar door:
- niet willen eten van het MEAT-dieet,
- tijdelijke maagdarmklachten,
- gewichtstoename,
- of COVID-gerelateerde omstandigheden bij de eigenaar.
Daarna gingen 65 honden door naar de 12-weekse fase.
Uitval tijdens de 12-weekse fase
Tijdens de experimentele voederperiode stopten vier honden, opnieuw om redenen die niet gerelateerd waren aan het toegewezen dieet: persoonlijke omstandigheden van de eigenaren, een maagzweer door NSAID-gebruik en een urineweginfectie.
Daarmee voltooiden 61 honden het onderzoek. Voor de metaboloomanalyse waren echter fecale monsters op zowel baseline als week 12 nodig. Bij zeven honden ontbrak één van de twee stalen, waardoor 54 honden in de uiteindelijke analyse terechtkwamen.
De COVID-pauze
Tijdens het onderzoek golden regionale COVID-beperkingen waardoor de studie vier maanden moest worden stilgelegd. Gedurende die periode bleven de honden op hun toegewezen dieet. Dit betekende dat:
- sommige honden een langere adaptatieduur hadden,
- anderen juist een uitgebreidere 12-weekse periode kregen.
De onderzoekers controleerden of deze variatie een effect had op de resultaten. Dat bleek niet het geval te zijn.
Wat de honden precies aten
Beide voedingen waren AAFCO-compleet en qua energie-inhoud vergelijkbaar. Het dierlijke dieet was een commerciële brok: Petcurean GO! Skin + Coat Care Chicken Recipe, een extruded voeding met kip als hoofdingrediënt. De ingrediëntenlijst hieronder is afkomstig van de fabrikant en wijkt op enkele punten af van Table 1 in de studie
Het plantaardige dieet daarentegen was speciaal voor dit onderzoek ontwikkeld. Het was volledig vrij van dierlijke ingrediënten en zo samengesteld dat het qua macro- en micronutriënten zo dicht mogelijk aansloot bij de commerciële MEAT-brok, maar dan op basis van plantaardige grondstoffen. Het grootste verschil tussen beide voedingen zat daardoor niet in de totale nutriënten, maar in de gebruikte ingrediënten en vooral het vezelprofiel.
Plantaardige voeding (PLANT)
- Erwten, gerst, haver, aardappeleiwit, zonnebloemolie (geconserveerd met gemengde tocoferolen), erwteneiwit, linzen, quinoa, calciumcarbonaat, dicalciumfosfaat, primaire gedroogde gist, lijnzaad, natuurlijke plantaardige aroma’s, zout, gedroogde mariene algen, cholinechloride, vitaminen (vitamine A-supplement, vitamine D2-supplement, vitamine E-supplement, niacine, L-ascorbyl-2-polyfosfaat (bron van vitamine C), D-calciumpantothenaat, thiaminemononitraat, riboflavine, pyridoxinehydrochloride, foliumzuur, biotine, vitamine B12-supplement), mineralen (zinkproteïnaat, ijzerproteïnaat, koperproteïnaat, zinkoxide, mangaanproteïnaat, kopersulfaat, ijzersulfaat, calciumjodaat, mangaanoxide, seleniumgist), DL-methionine, kaliumchloride, L-lysine, taurine, L-carnitine, gedroogde rozemarijn.
Dierlijke voeding (MEAT)
- Kippenmeel, uitgebeende kip, volkoren bruine rijst, witte rijst, havermout, kippenvet (geconserveerd met gemengde tocoferolen), zalmmeel, natuurlijke kippensmaak, lijnzaad, erwtenvezel, zongedroogde luzerne, appels, wortelen, veenbessen, zout, kaliumchloride, gedroogde cichoreiwortel, gedroogd Lactobacillus acidophilus-fermentatieproduct, gedroogd Enterococcus faecium-fermentatieproduct, vitaminen (vitamine E-supplement, L-ascorbyl-2-polyfosfaat (bron van vitamine C), niacine, D-calciumpantothenaat, vitamine A-supplement, thiaminemononitraat, riboflavine, bètacaroteen, vitamine B12-supplement, biotine, pyridoxinehydrochloride, vitamine D3-supplement, foliumzuur), mineralen (zinkproteïnaat, ijzerproteïnaat, mangaanproteïnaat, koperproteïnaat, seleniumgist, calciumjodaat), taurine, DL-methionine, L-lysine, yucca schidigera-extract, gedroogde rozemarijn.
Het belangrijkste verschil was het vezelprofiel. De plantaardige voeding bevatte meer oplosbare vezels en fermenteerbare koolhydraten — precies de componenten waarop het microbioom actief reageert.
Wat het metaboloom is – en waarom het centraal stond
Het metaboloom bestaat uit kleine stoffen die ontstaan door vertering en door de activiteit van het microbioom. Het gaat onder andere om korte-ketenvetzuren, suikermetabolieten en afbraakproducten van aminozuren. Het metaboloom vertelt dus niet welke bacteriën aanwezig zijn, maar wat ze aan het doen zijn.
De ontlastingsmonsters werden geanalyseerd met ¹H-NMR-spectroscopie, uitgevoerd door het Metabolomics Innovation Centre (University of Alberta). Deze methode geeft een betrouwbaar beeld van welke fermentatieprocessen actief zijn.
Wat er veranderde bij de honden die plantaardig werden gevoerd
Bij de honden die het plantaardige dieet kregen, verschoof het metaboloom duidelijk richting fermentatie van koolhydraten en oplosbare vezels. De concentraties van acetaat en propionaat namen toe en een breed palet aan suikermetabolieten veranderde mee.
Deze verschuivingen waren consistent met de ingrediënten van het plantaardige dieet. Het zegt vooral iets over de functionele reactie van de darm: de voeding verandert, en de fermentatieroutes veranderen mee. Eerdere studies uit dezelfde onderzoekslijn lieten bovendien stabiele bloedwaarden en normale aminozuurprofielen zien.
Hoe merk je dit als eigenaar?
Veel van wat er in de darm gebeurt, zie je als eigenaar niet direct terug. Bij een verandering in vezelprofiel kan de ontlasting in de eerste dagen wat zachter zijn of anders vormen. Dat komt doordat oplosbare vezels tijdelijk meer water kunnen vasthouden of de darm iets actiever laten fermenteren.
Vaak blijft de ontlasting stabiel, maar sommige honden hebben een korte aanpassingsperiode van ongeveer een tot twee weken. In die tijd kan de geur subtiel veranderen of kan er iets meer volume ontstaan. Dat hoort bij normale fysiologie en herstelt vanzelf zodra de darm gewend is aan de nieuwe balans.
Een verandering in het metaboloom hoeft dus niet zichtbaar te zijn in de ontlasting — het metaboloom reageert vaak sneller dan het beeld dat je als eigenaar ziet.
Wordt er ook naar bacteriën gekeken?
In dit onderzoek is alleen het metaboloom gemeten. De bacteriestammen zelf zijn niet in kaart gebracht. De onderzoekers verwijzen wel naar een eerder microbiota-onderzoek met een vergelijkbare opzet, waarin de samenstelling van het microbioom bij plantaardig gevoerde honden werd onderzocht. Daar werden slechts kleine verschillen gevonden in bacteriestammen tussen de groepen.
Dat verklaart waarom metaboloomveranderingen niet direct te koppelen zijn aan specifieke bacteriën. Dit onderzoek laat vooral zien welke processen actief zijn, niet welke bacteriën daarvoor verantwoordelijk zijn.
Waarom verandert het metaboloom als de bacteriën nauwelijks veranderen? ‘food for thought’…
Hoewel het huidige onderzoek geen bacteriestammen heeft gemeten, weten we uit de bredere literatuur dat de verhouding tussen eiwitten, koolhydraten en vezels wél invloed kan hebben op de samenstelling van het microbioom. Bij zowel honden als mensen zien we dat een eiwitrijk en koolhydraatarm dieet een omgeving creëert waarin bacteriën die eiwitten fermenteren meer kansen krijgen, terwijl een dieet met meer koolhydraten juist bacteriën stimuleert die zich richten op koolhydraatfermentatie. Dat mechanisme vormt een belangrijke achtergrond voor dit soort studies. In deze onderzoekslijn zelf bleven de verschuivingen in bacteriestammen echter opvallend klein. De grootste verandering zat niet in wélke bacteriën aanwezig waren, maar in wat die bacteriën deden. Het metaboloom liet duidelijk zien dat het plantaardige dieet andere fermentatieroutes activeerde, passend bij het hogere gehalte oplosbare vezels en fermenteerbare koolhydraten.
Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar in voedingsonderzoek is het een bekend fenomeen. Het microbioom hoeft niet van samenstelling te veranderen om toch anders te functioneren. Wanneer honden voeding krijgen met andere typen koolhydraten en vezels, schakelt het microbioom over op andere fermentatieroutes. De bacteriën blijven grotendeels dezelfde, maar hun activiteit verandert.
In de literatuur wordt dit vaak beschreven als functionele plasticiteit: dezelfde bacteriën kunnen andere enzymroutes gebruiken wanneer de voeding dat vraagt. Het metaboloom vangt die functionele verschuiving precies op.
Verschillende studies bij honden — en ook bij mensen — laten zien dat fermentatieproducten soms al binnen enkele dagen veranderen, terwijl de bacteriële samenstelling stabiel blijft. Dat is precies wat ook in dit onderzoek wordt gezien.
De metaboloomverschillen passen daarmee goed bij de ingrediënten van het plantaardige dieet. Het microbioom krijgt ander substraat en reageert daarop door andere routes te activeren. Het metaboloom weerspiegelt vooral die activiteit, niet de samenstelling van de bacteriën zelf.
Kanttekeningen bij het onderzoek
Dit onderzoek zegt iets over deze specifieke voedingen en over gezonde, volwassen honden. Het vertelt niet hoe honden met aandoeningen reageren of wat de lange-termijneffecten zijn. De studie vond plaats in thuissituaties, waardoor variatie onvermijdelijk is — al werd de voeding streng gecontroleerd.
Bovendien hadden sommige honden door de COVID-pauze een langere onderzoeksperiode, maar dit had geen invloed op de conclusies.
Wat je uit dit onderzoek kunt meenemen
Het onderzoek laat zien dat het metaboloom van honden op dit specifieke plantaardige dieet duidelijk verschilde van dat van honden op een dierlijk dieet. De auteurs schrijven die verschuiving vooral toe aan lichte variaties in het nutriënten- en vezelprofiel van de twee diëten, en dus niet aan “plantaardig” of “dierlijk” als categorie. Dat maakt deze bevindingen waardevol, maar ook contextgebonden: ze zeggen iets over deze voedingen, niet over alle plantaardige formulaties.
Met de groeiende belangstelling voor plantaardige opties adviseren de onderzoekers om in toekomstig onderzoek verschillende typen plantaardige voedingen mee te nemen. Dat helpt om beter te begrijpen hoe uiteenlopende samenstellingen het metaboloom van honden beïnvloeden. Voor nu laat deze studie vooral zien hoe gevoelig de darmfunctie reageert op veranderingen in vezels en koolhydraten, en hoe flexibel het microbioom daarin meebeweegt.
Wil je weten wat dit betekent in relatie tot jouw hond of jouw manier van voeren?
Dan denk ik graag met je mee.
Bronvermelding
Liversidge, B. D., Dodd, S. A. S., Verbrugghe, A., & Shoveller, A. K. (2025). The fecal metabolic signature of a plant-based (vegan) diet compared to an animal-based diet in healthy adult client-owned dogs. Journal of Animal Science, 103(1), skaf054.
Liversidge, B. D., Dodd, S. A. S., Verbrugghe, A., & Shoveller, A. K. (2024). Comparison of the fecal microbiota of adult healthy dogs fed a plant-based (vegan) or an animal-based diet. Frontiers in Microbiology, 15, 1367493.
Lyu, T., Su, Y., & Zhu, W. (2025). Gut metabolome in companion animal nutrition: Linking microbiome function to digestive health. Animals, 15(5), 651.
Bhosle, S. M., Wang, C., Kim, J., et al. (2024). Response of the gut microbiome and metabolome to dietary fiber in healthy dogs. Animal Microbiome, 6(1), 45.
Schmidt, M., Unterer, S., Suchodolski, J. S., et al. (2018). The fecal microbiome and metabolome differs between dogs fed Bones and Raw Food (BARF) diets and dogs fed commercial diets. PLoS ONE, 13(8), e0201279.